Cavalerie: Dodenherdenking 22 april 2022, foto’s.

Toespraak Dodenherdenking Cavalerie 22 april 2022.

Goedemorgen medecavaleristen, genodigden en nabestaanden. Namens de Wapenoudste der Cavalerie, BGen Joris Legein, heet ik u allen welkom op deze Dodenherdenking Cavalerie.

Morgen is het St. Jorisdag, de patroonheilige van de Cavalerie, van de stad Amersfoort met haar St. Joriskerk, van Engeland, van Rusland en zelfs de stad Moskou. De patroonheilige van militairen, boeren, mijnwerkers, ruiters. Een patroonheilige van vele beroepen. Patroonheilige tegen oorlogsgevaar, ziektes. Een helper in nood en een beschermer tegen kwaad en onrecht. Zelfs met opoffering van het eigen leven.

Een patroonheilige die dus vereerd wordt in het Westen en het Oosten. Hoe toepasselijk is het om daar vandaag in het licht van de verschrikkelijke oorlog in de Oekraïne wat woorden aan te mogen besteden, staande tegenover het monument van de cavalerie gevallenen die immers ook tegen kwaad zijn op gestaan en het hoogste offer hebben gebracht. Een offer wat we nooit mogen vergeten en vandaag in gezamenlijk eerbetoon aan brengen.

Een tweetal van die offers wil ik vandaag voor het voetlicht brengen.

Het eerste is dat jonkheer Cornelis (Cees) Röell, die op 8 augustus 1947 als majoor sneuvelde bij Cheribon op Java. Geboren in 1913 in Amersfoort. Hij gaat naar de lagere school in Hilversum en naar het lyceum in Bussum. Hij trouwde met mevr. Eleonore van Haersma de With en het echtpaar kreeg later vier kinderen, waarvan zoon jonkheer Maurits Willem vandaag hier aanwezig is.

Cees Röell werd in de jaren dertig van de vorige eeuw opgeleid op het SROC en werd in 1934 tot 2e Lt beëdigd. Na zijn dienstplicht tijd ging hij werken in Engeland bij Baring Brothers & Co. In de mobilisatietijd keerde hij terug naar Nederland en diende als reserve 1e Lt in 4 RH (voorloper van RHB) onder LKol de Mareees van Swinderen. Hij werd PC in het eerste eskadron 4 RH, o.l.v. Ritm Feist. Dit eskadron behoorde voor de reorganisatie overigens tot 1 RH (was voorheen 3-1 RH). Tijdens de oorlogsdagen van mei 1940 vocht Cees Röell met zijn Huzaren in het voorgebied van de Grebbelinie en moest vertragend en verkennend optreden van het Apeldoorns-Dierenkanaal naar de Grebbestelling. O.a. werden de Duitsers succesvol opgehouden te Heelsum en Renkum, waarvan in enkele Duitse eenheidsboeken nog melding wordt gemaakt. In de omgeving van Ede raakte Cees Roëll op 10 mei echter (licht) gewond en moest het commando over zijn eenheid overdragen aan een Vaandrig.

Terwijl de eenheid na het uitvoeren van hun vertragende taak terugviel achter de Grebbelinie werd Cees Roëll belast met de paarden van de eenheid. De paarden waren namelijk niet bestand tegen oorlogslawaai en oorlogsgeweld en in de nacht van 10 op 11 mei omgewisseld voor fietsen. Ze moesten worden afgevoerd achter de Grebbelinie. Cees Roëll werd bij dit detachement ingedeeld en verplaatste dus met de paarden naar Leersum. Op 11 mei patrouilleerde hij met zijn peloton daar en in de nacht van 11 op 12 mei bevond hij zich met het peloton op bivak in de omgeving van Maarssen. In de nacht van 12 op 13 mei wordt ook hij met zijn (nieuwe) peloton (net zoals de rest van 4 RH) in stelling gelegd bij het spoorwegviaduct in Rhenen in als het ware de laatste verdedigingslinie. Hier wordt op 13 mei gevochten met de vijand en maakt hij het verschrikkelijke Stuka bombardement mee. Hierna trekken de troepen zich terug via Elst wederom naar Leersum. Daar wordt gebivakkeerd en op 14 mei volgt de terugtocht naar Utrecht via IJsselstein. Het peloton wordt ingekwartierd in buurtschap Achtersloot.

Tijdens de oorlogsjaren heeft hij verzetsdaden gepleegd en de Sicherheitsdienst was actief naar hem op zoek. Meerdere keren kwamen ze in Laren langs om hem te arresteren. Een keer kon hij ternauwernood ontkomen. Schuiladressen waren in Laren, Nijkerk, Amsterdam en in een boot op de Vinkeveense plassen.

Hij was verder een begaafd ruiter en mocht in 1948 kandidaat staan voor deelname aan de Olympische Spelen. De oorlog in Indië gooide roet in dit eten. Tijdens de 1e Politionele Actie aldaar, was hij met het 3e eskadron ingedeeld bij de 2e Infanteriebrigade en moest vanaf de lijn Batavia-Buitenzorg oprukken in oostelijke richting om de belangrijke bruggen over de Tjitaroem bij Krawang, onbeschadigd in handen te krijgen. Uiteindelijk kwamen ze aan in Cheribon waar zij hun bivak opsloegen. Na afloop van de actie, op 8 augustus, gingen majoor H. Bentinck en majoor Röell samen met 2 chauffeurs poolshoogte nemen. Na oponthoud nam Cees Röell zelf plaats achter het stuur omdat ze in gevaarlijk terrein zouden komen. Na het passeren van de pas bij Tomo reden ze naar beneden over de brug bij de rivier. Hij werd dodelijk getroffen op de weg van Soemedang-Kadipaten op 08-08-1947 door vijandelijk vuur vanuit een hinderlaag. Zijn huzaren verloren hiermee een opgewekte en doortastende commandant en een kameraad. Hij ligt begraven op het Ereveld Menteng Pulo te Java waar het regiment Huzaren van Boreel elk jaar eind november een krans laat leggen ter herdenking van hun gevallenen.

Het tweede offer wat ik vandaag wil illustreren is dat van Godert Willem (baron) van Dedem. Hij werd geboren in een echt cavaleriegezin in Amersfoort. Zijn vader was ook cavalerieofficier.

Hij ging in Amersfoort naar de lagere school en daarna naar de HBS. Hij had onder andere interesse in biologie en stenen en op zijn jongenskamer een “natuur museum”. In het begin van zijn middelbare school (1914) deelde hij sigaretten, koeken en drinken uit aan de in Amersfoort verblijvende Belgische Vluchtelingen.

Godert Willem had de SROC afgerond in 1924. In 1934 reist hij terug naar Nederlands Indië. Als hij groot verlof heeft in 1940, kan hij, vanwege de naderende oorlog daar, niet naar Nederland reizen, en strand hij in Amerika waar hij Beppy van Vloten ontmoet. Zij reizen samen door Afrika en van daaruit door naar Malakka, waar ze trouwen. Op 7 september 1941 word hun dochter Elisabeth Leonora geboren in het ziekenhuis van Medan. Ook jonkvrouw Selby van Dedem is vandaag aanwezig op deze herdenking in bijzijn van haar neef Frederik Hendrik Sloet van Oldruitenborgh.

In 1941 wordt Godert Willem van Dedem door het KNIL gemobiliseerd en diende bij het hoofdkwartier van de territoriale KNIL commando in Atjeh. Op 1 februari 1942 wordt hij overgeplaatst naar Bandoeng naar de militaire geologische afdeling. Hij maakt hij de inval van de Japanners mee en wordt krijgsgevangen gemaakt. Hij verstrekt nog wel valse verslagen met betrekking tot de locatie van oliebronnen in Nederlands Indië aan de Japanners. Een klein zijstapje: Op 1 maart 1942 vond nog een heuse tankslag plaats tussen een Nederlands tankbataljon van het KNIL en tanks van het Japanse invasietroepen in een poging een lokaal vliegveld terug te veroveren. Hierbij sneuvelden overigens meer dan 100 KNIL militairen, waaronder veel tientallen Nederlandse KNIL cavaleristen.

Terug naar Godert Willem van Dedem. Op 8 maart 1942 wordt hij afgevoerd naar Batavia en op 8 april opgesloten in een kamp in Palembang. Diverse keren wordt hij van kamp naar kamp verhuisd om te eindigen in het krijgsgevangenenkamp Loeboek Linggau, Zuid Sumatra, waar hij overlijdt op 27 mei 1945 (41 jaar) als één van de 99 mannen die in dat kamp overleden. Hij overleed hij aan de gevolgen van ondervoeding, uitputting en dysenterie. Op 2 km afstand van het kamp in Palembang zit zijn vrouw, Beppy van Vloten met haar zoon en dochter (Elisabeth Leonora) geïnterneerd in het vrouwenkamp. Na de bevrijding worden zij met het 1e transport van de Nieuw Amsterdam teruggebracht naar Nederland.

Deze twee voorbeelden van gevallen cavaleristen staan vandaag symbool voor de vele duizenden Nederlandse cavaleristen die sinds de oprichting van ons Koninkrijk in 1813 vielen in dienst van hun vaderland. Vielen voor vrede en veiligheid. Net zoals meer recent cavaleristen vielen in voormalig Joegoslavië, Rusland en Afghanistan.

Eerbetoon aan onze gevallenen is belangrijk. Hun offers mogen niet worden vergeten. Vooral niet van diegene verplicht in dienst moesten en die niet meer verwacht hadden in dit soort situaties terecht te komen. De reservisten, de vaders, die met het telegram ‘Keert Onmiddellijk Terug’ hun vrouwen en kinderen achterlieten en de roep van hun vaderland volgden om de vrede te verdedigen. En hierbij het hoogste offer brachten, zonder dat ze soms een schot gelost hadden of een vijand in uniform hadden gezien. En soms zelfs zonder dat ze wakker geworden waren, zoals de huzaren die bij bombardement op de Alexanderkazerne in de ochtend van 10 mei 1940 werden gedood. Een levensdroom die ongemerkt in een nachtmerrie overging. Een nachtmerrie die nooit zou eindigen voor hun achterblijvend gezinsleden. En zelfs nu nog voor verdriet en gemis zorgt.

Chaos, ellende, zinloze vernietiging, verdriet en gemis, wat helaas vandaag de dag maar al te tastbare begrippen zijn.

Daarom zijn wij vandaag hier. Om te herinneren, te gedenken en om te eren.

Bij ons leven eren wij vandaag onze Cavalerie doden,
omdat deze kameraden ons eerden met hun leven.