Cavalerie: Artikelen VOC 4.

juni 2020
Bron: VOC nr 2-2020

Het 4e Regiment Huzaren tijdens de meidagen 1940

Schrijver bij beheerder bekend.

Het Regiment Huzaren van Boreel (RHB) heeft een lange lijst van operationele inzet, waarbij Quatre Bras, Waterloo, de Tiendaagse Veldtocht, Nederlands-Indië en Afghanistan tot de bekende wapenfeiten behoren. Maar ook in mei 1940 heeft RHB, toen nog 4e Regiment Huzaren (4RH) genoemd, haar bijdrage geleverd in de strijd tegen de Duitse aanvaller. Bekend is vooral de inzet van de pantserwagen eenheden in de strijd om de residentie en de actie van luitenant George Maduro in Leidschendam bij villa Dorrepaal. Dit artikel gaat echter over de inzet van 4 RH bij de verdediging van de Grebbestelling, een inzet die wat minder bekend is. Dit artikel is, om het leesbaar te houden, globaal van opzet.

4 RH in mei 1940

In de meidagen van 1940 had de Nederlandse cavalerie juist een reorganisatie ondergaan. 4RH (tegenwoordig dus het Regiment Huzaren van Boreel) bestond na deze reorganisatie uit twee eskadrons te paard (1-4RH en 2-4RH, elk met o.a. lichte mitrailleurs), vier rijwieleskadrons (3-4RH, 4-4RH, 5-4RH, 6-4RH, elk met 12 lichte mitrailleurs), een mitrailleur eskadron (ME-4RH, motoren met zijspan en 12 zware mitrailleurs) en een eskadron pantserafweergeschut (pel Pag.-4RH, 4 stukken 4,7 cm en 6 motoren met antipantsergeweren). Voor ondersteuning was er tevens een peloton mortieren (2 stukken van 8 cm) en een peloton pantserwagens. De regimentsleiding bestond uit een staf en een kleine verbindingseenheid. Regimentscommandant was luitenant-kolonel Jhr. S.M.S.A.A. de Marees-Swinderen, ondersteund door majoor G.P. de Kruyff als hoofdofficier toegevoegd. Helaas was het regiment niet voltallig. De antipantsergeweren ontbraken en ook het peloton pantserwagens was er nog niet. Ter vervanging hiervan waren wel twee verouderde pantserwagentjes van het Korps Rijdende Artillerie aanwezig. Voor haar oorlogstaak was het Regiment extra versterkt met het 3e en 4e pelotons pantserwagens afkomstig van het 3e eskadron Pantserwagens.

Na de reorganisatie van 1 mei bestond 4RH uit twee eskadrons te paard, vier rijwieleskadrons, een mitrailleur eskadron en een eskadron pantserafweergeschut. Voor ondersteuning was er tevens een peloton mortieren en een peloton pantserwagens.

 

De oorlogstaak van 4RH lag in het zuidelijk gedeelte van de Veluwe. Na de mobilisatie was het Regiment dan ook vanuit haar vredeslocatie, de Boreelkazerne in Deventer, naar Ede verplaatst. Ze diende als vertragend element voor de in het zuidelijk gedeelte van de Grebbelinie verdedigende 2e Legerkorps. Deze taak moest uitgevoerd worden zonder grote gevechten. Met te veel verliezen zou het Regiment immers haar vervolgopdracht, het vormen van een mobiele reserve-eenheid achter de Grebbelinie, niet meer kunnen uitvoeren. De vijand moest daarom vooral met het tijdig stellen van voorbereide vernielingen tijdverlies worden opgelegd. Het 3e rijwieleskadron (3-4RH) was aan Brigade B afgestaan, die het Land van Maas en Waal verdedigde, maar in plaats hiervan was het 2e eskadron (te paard) van 3RH (2-3RH) onder bevel van 4RH gesteld. 4RH hoopte haar taak in drie vertragingslijnen uit te kunnen voeren.De eerst vertragingslijn was het Apeldoorn – Dierenkanaal. Één rijwieleskadron (4-4RH) moest de 15 bruggen over dit kanaal opblazen en daarna terugtrekken naar Ede. De tweede vertragingslijn was de lijn Schweizehöhe – Wolfheze – Oosterbeek. Deze lijn werd door twee eskadrons bezet. Een tweede rijwieleskadron (5-4RH) zou ten zuiden van de spoorlijn Arnhem-Ede tussen Oosterbeek, Heelsum en Renkum voorbereidende versperringen stellen en die tijdelijk verdedigen. Ten noorden van de spoorlijn zou een bereden eskadron (2-3RH) nabij Schweierhöhe een hindernis opwerpen op de weg Arnhem-Ede en deze kort verdedigen. De derde vertragingslijn was de linie Lunteren – Ede – Oranje Noord. De resterende eskadrons zouden hiertoe in een wijde boog om Ede heen verdedigende posities innemen om de vijand nog meer vertraging op te kunnen leggen. De Regimentscommandopost was in café de Langenberg in de oostrand van Ede gevestigd. Na uitvoering van haar vertragende taak, moest 4RH de eigen infanteriestellingen in de Grebbelinie doorschrijden en zich gereedhouden voor reservetaken in het verzamelgebied in de bossen bij Hotel ‘De Donderberg’ in Leersum.

Aanleg van verdedigende opstellingen in de Grebbelinie.

 

10 mei

In de vroege ochtend van 10 mei vielen de Duitsers Nederland binnen, met onder andere luchtlandingen bij de Moerdijkbruggen, de bruggen in Dordrecht en Rotterdam en op diverse vliegvelden in de residentie. Ook overschreden eenheden van het 18e en 6e Duitse leger onze landsgrenzen. Op de centrale nadering over de Veluwe werd door het hier optredende 18e Leger het 10e Legerkorps ingezet. Dit legerkorps bestond uit twee infanteriedivisies (227e en 207e) en twee SS Regimenten (‘Der Führer’ en de ‘Leibstandarte’) en moest via de Veluwe (Arnhem en Amersfoort) oprukken richting Utrecht om later Amsterdam te bereiken. Het Duitse zwaartepunt lag, zoals bekend echter in Noord-Brabant om met gepantserde eenheden na contact te hebben gemaakt met de luchtlandingseenheden en via de Moerdijkbruggen, de bruggen bij Dordrecht en Rotterdam de vesting Holland bij verrassing binnen te dringen.

Het opblazen van de bruggen over het Apeldoorns – Dierenkanaal werden zonder al te grote problemen uitgevoerd door 4-4RH, o.l.v. ritmeester Jhr. mr C.L. van Beyma thoe Kingma. Na uitvoering van deze taak trok 4-4RH terug naar een opstelling zuid van het station Ede-Wageningen om de zuidelijke naderingen naar Ede te beveiligen. In de avond van 10 mei bereikte 4-4RH het verzamelgebied van 4RH bij Leersum.

4RH tijdens de verplaatsing door Ede.

 

Intussen werd de door infanterie-eenheden verdedigde voorpostenlijn aan de IJssel al snel door de Duitsers doorbroken, o.a. bij Zutphen, Doesburg en Westervoort. Geheel verwonderlijk was dit niet omdat o.a. artillerie en reserves ontbraken. Vanuit Westervoort probeerde het SS regiment ‘Der Führer’ via Oosterbeek, Renkum en Wageningen op te rukken in westelijke richting en kwam dus al snel in aanraking met 5-4-RH. Dit eskadron stond onder leiding van reserve kapitein mr. M. Nijhoff (afkomstig van de infanterie) en was versterkt met een sectie zware mitrailleurs, twee mortieren en een stuk pantserafweergeschut. Kapitein Nijhoff had twee pelotons huzaren in achterwaarts gelegen opvangopstellingen bij Renkum en Heelsum gepositioneerd en de rest van zijn eskadron in de oostrand van Oosterbeek stelling laten betrekken. Het eskadron slaagde erin om alle bevolen vernielingen tijdig op te blazen, maar de eskadronscommandant was bij het opblazen van een brug in Oosterbeek door een scherf in zijn voet gewond geraakt. Ondersteund door een stok kon hij echter bij zijn eskadron blijven. Om 11.00 uur werd in Oosterbeek een kort vuurgevecht met de naderende Duitsers gevoerd, waarna rond 12.00 uur op Heelsum werd teruggevallen. Vanuit deze stelling werden vijandelijk verkennende motorrijders buiten gevecht gesteld en het stuk pantserafweergeschut kon een Duitse pantserwagen tot stilstand brengen. De Duitsers dreigden een omtrekkende beweging over Wolfheze te maken en de huzaren in Heelsum af te snijden. Door tijdig (om 15.50 uur) op Renkum terug te trekken, lukte dit niet.

Inderdaad lukte het 5-4RH om met drie pelotons in stelling in de oostrand van Renkum enige uren stand te houden en de vijand vertraging op te leggen. Aan het einde van de middag werd Renkum los gelaten en werd teruggetrokken via Wageningen naar het verzamelgebied van 4RH bij Leersum, achter de Grebbelinie. In de oostrand van Wageningen werden de terugtrekkende huzaren nog beschoten door eigen troepen, maar gelukkig leidde dit niet tot verliezen. De Duitsers bezetten onmiddellijk Renkum en verkenden Wageningen. Het 5e eskadron had haar vertragingstaak dus voorbeeldig uitgevoerd.

Ten noorden van de spoorweg moest 2-3RH, onder commando van ritmeester A.D.C. van der Voort van Zijp, de Duitsers vertraging opleggen langs de weg van Arnhem naar Ede. Hier was minder vijanddruk en het eskadron viel min of meer gelijktijdig met het zuidelijke eskadron in fasen terug naar Ede. Tijdens deze terugtocht werd het eskadron wel meerdere keren aangevallen door vliegtuigen. Een ingedeeld stuk pantserafweergeschut raakte tijdens de terugtocht verloren. Bij de Zuid Ginkelse Heide werd een waarschuwend element onder leiding van kornet C.E. Graaf van Limburg Stirum (gedetacheerd vanuit 4RH bij 2-3RH) achtergelaten. Dit element raakte echter in gevecht met verkenningselementen van de 207e Divisie. Kornet Graaf van Limburg Stirum (die zelf de mitrailleur bediende), een korporaal en huzaar sneuvelden hierbij. Een vierde huzaar kon ontkomen en later de eigen troepen weer bereiken. 2-3RH was aan het einde van 10 mei inmiddels via de Klomp-Veenendaal naar het opgedragen verzamelgebied van 4RH bij Leersum getrokken.

Tijdens de terugtocht van 2-3RH werd het eskadron meerdere keren aangevallen door vliegtuigen. Een ingedeeld stuk pantserafweergeschut raakte tijdens de terugtocht verloren.

 

Zoals opgedragen hadden de resterende eskadrons van 4RH stellingen betrokken in een wijde boog om Ede. 1-4RH (te paard), onder leiding van ritmeester K.G.A. Feist, lag in de bosrand aan de westzijde van de Ginkelse Heide, tussen de verkeersweg en de spoorlijn. Het eskadron was versterkt met een peloton pantserwagens. In de late middag van 10 mei werden ongeveer vijf Duitse pantserwagens gezien. De stellingen van het eskadron kwamen onder artillerievuur te liggen en Duitse eenheden naderen in gevechtsformatie over de Ginkelse Heide. Het lukte om de Duitse eenheden op afstand te houden. Ook 1-4RH kreeg aan het begin van de avond het bevel om terug te trekken achter de Grebbelinie en via de Klomp-Veenendaal naar het Regimentsverzamelgebied in Leersum te gaan. Een van de twee pelotons pantserwagens ontving het terugtocht bevel echter niet en is in de nacht op eigen initiatief via de Klomp teruggekeerd.

Het 6e eskadron (6-4RH) onder commando van reserve ritmeester Jhr. W. Quarles van Ufford, beveiligde de noordflank van Ede in de lijn Meulunteren, Wekerom en Roekel. Op 10 mei was hier geen gevechtscontact. Na de achterwaartse doorschrijding van de voorste eskadrons, verplaatste ook 6-4RH zich naar het verzamelgebied in Leersum.

Door de terugtocht van 4RH moesten ook de noordelijke eskadrons (1RH en 5RH) hun stellingen op de Veluwe loslaten. Deze eenheden vielen terug op meer westwaarts gelegen stellingen in een wijde boog om Amersfoort, maar lagen dus nog vóór de Grebbestelling. In het zuidelijk gedeelte hebben de Duitsers in de nacht van 10 op 11 mei intussen het 368e Infanterie Regiment (207e Divisie) aangetrokken en Ede laten bezetten. Het 322e Regiment is intussen aangetrokken naar Bennekom.

Opmerkelijk is dat de Duitsers in hun Division Geschichte 4RH als ‘Aufklärungs-Abteilung II’ aanduiden. Dit is redelijk juist, want de 2e Verkenningsafdeling (II Verk A) was de oorspronkelijke aanduiding van 4RH voor de reorganisatie van 1 mei 1940. 4RH had overigens destijds als vredeslocatie de Boreelkazerne in Deventer en deze kazerne was één van de oorlogsdoelen van de Duitsers. Deze kazerne werd door het andere SS Regiment (‘Leibstandarte’) bezocht en bezet.

Infanterieopstelling achter het Valleikanaal.

 

11 mei

Op 11 mei, de tweede oorlogsdag, zetten de Duitsers de aanval in op de Grebbeberg bij Rhenen. De aanval wordt geleid door SS Regiment ‘Der Führer’ die de hele dag nodig heeft om de zogenaamde ‘voorposten’ op te ruimen. Deze voorposten vormen de gevechtsbeveiliging voor de Nederlandse hoofdstelling op de Grebbeberg.

Op 11 mei, de tweede oorlogsdag, zetten de Duitsers de aanval in op de Grebbeberg bij Rhenen.

 

De Duitsers zagen zich gedwongen om meer infanterie-eenheden van de 207e Divisie aan te trekken en brachten ook meer artillerie afdelingen in stelling. Pogingen van het SS Regiment om het riviertje de Grebbe over te stekken en met een nachtaanval de Grebbeberg te veroveren, mislukken. Daarentegen mislukt ook een Nederlandse poging om met de inzet van het reservebataljon (II-19RI) een gedeelte van de voorpostenstrook te heroveren. Deze tegenaanval komt niet goed tot ontwikkeling door de chaotische toestand op de Grebbeberg zelf en de onervarenheid van de Nederlandse soldaten. Het desondanks als reactie afgegeven eigen artillerievuur verhindert echter wel de bovengenoemde Duitse voorbereidingen om de Grebbeberg nog in de avond te veroveren.

De 11e mei verliep voor het gros van 4 RH overigens relatief rustig. In de verzamelgebieden rondom Leersum en Maarsbergen werden de paarden van de bereden eskadrons omgewisseld voor fietsen. De paarden werden achtergelaten bij het 2-4RH. Deze laatste eenheid had nu de zorg voor de paarden van drie eskadrons en was dus niet meer inzetbaar. Diverse pelotons van de eskadrons werden ingezet om meldingen van gelande Duitse parachutisten en noodgelande Duitse vliegtuigen te onderzoeken. In vrijwel alle gevallen waren het echter valse meldingen. 4-4RH en 5-4RH kregen bovendien de taak om een paar forten rondom Utrecht te beveiligen tegen mogelijke vijandelijke overvallen en twee pelotons van 4-4RH werden ingezet om uitgebroken relletjes in de stad Utrecht te onderdrukken. 6-4 RH heeft op deze dag nog een succesvolle verkenningsopdracht naar Ede uitgevoerd.

In het noordelijk deel van de Veluwe kwamen de eskadrons van 1RH in gevecht met oprukkende troepen van het andere SS Regiment ‘Leibstandarte’. Ditzelfde regiment trad overigens ook op met een subeenheid in het vak van 4RH, want in de nacht van 10 op 11 mei werd het eerste bataljon van dit SS Regiment onder bevel gesteld van de 207e Divisie, de haar indeelde bij het andere SS regiment ‘Der Führer’. Rond 17.30 uur kreeg dit bataljon het bevel de onderbevelstelling bij 207e Divisie te beëindigen en via Arnhem, Zevenaar en Emmerich weer naar het eigen SS Regiment ‘Leibstandarte’ terug te keren.

12 mei

Op zondag 12 mei krijgt 4RH het bevel om opnieuw met twee eskadrons bij Utrecht forten in de Nieuwe Hollandse Waterlinie te bezetten. Hiervoor werden wederom het 4e en 5e eskadron ingezet. Op bevel moesten daarnaast de pantserwagenpelotons afgestaan worden aan de Commandant Vesting Holland.

Het Duitse SS Regiment ‘Der Führer’ lukte het om in de loop van 12 mei de frontlijn op de Grebbeberg te doorbreken. In reactie daarop werd het restant van 4RH (dus zonder het 4e, 5e en 2e eskadron) door het IIe legerkorps onder bevel van de commandant van de 4e Divisie geplaatst. Om 17.45 uur verplaatste het gehalveerde Regiment zich naar Rhenen, terwijl de Regimentscommandant op de commandopost van 4e Div zijn opdrachten in ontvangst nam. Deze opdrachten waren ten eerste om met één eskadron de naar verluid door eigen troepen verlaten frontlinie west van het riviertje de Grebbe, nabij de boerderij de Kruiponder, 2,5 km oost van Achterberg te bezetten. Deze positie lag dus voor de weerstandslijn in de nabijheid van de voorposten, een vrijwel onmogelijke opdracht. Hiervoor werd desondanks 2-3RH aangewezen. De tweede opdracht was om een tweede eskadron op de rechterflank hiervan te laten aansluiten, achter de ‘Haarwal’. Deze opdracht kreeg 6-4RH. De eskadrons namen hun stellingen in en probeerden contact te maken met aanwezige infanterie-eenheden, maar het bevel werd al snel herroepen. Op bevel van Commandant 4e Div, moest de Regimentscommandant rond 21.00 uur de vooreskadrons terugnemen en verzamelen bij ‘Berg en Dal’ in Rhenen. Over dit bevel is later de nodige commotie ontstaan. De Regiments commandopost was intussen aan de autoweg noordwest van Rhenen ingericht.

Het Duitse SS Regiment ‘Der Führer’ lukte het om in de loop van 12 mei de frontlijn op de Grebbeberg te doorbreken.

 

Het was eenheden van het SS Regiment ‘Der Führer’ dus gelukt om in de middag van de 12 mei de linies van het Nederlandse 8ste Regiment Infanterie (8 RI) op de Grebbeberg te doorbreken. Dit Nederlandse regiment verdedigde de Grebbeberg zelf en het 19e Regiment Infanterie (19 RI) het gebied noord van de Grebbeberg rond Achterberg. 8 RI had twee bataljons in de frontlijn ingezet. Haar derde bataljon had eerder als gevechtsbeveiliging in de voorpostenlinie gevochten. Het tweede bataljon van 19 RI (II-19RI) was divisie reserve in de omgeving van Rhenen en was, zoals bovenvermeld, al in de avond van 11 mei een keer tevergeefs ingezet.

De rest van de Duitse aanval kon echter voor de zogenaamde ‘stoplijn’ (halverwege de Grebbeberg op de grens van het dierenpark) tot staan worden gebracht. Nederlandse tegenstoten mislukten door coördinatieproblemen en hevig Duits artillerievuur. Ook een grotere Nederlandse tegenaanval van het (noordelijk verdedigende) tweede bataljon van 8 RI (II-8RI) o.l.v. majoor Jacometti mislukte rond 18.00 uur. Ook andere tegenaanvallen, uitgevoerd zonder directe artillerieondersteuning en zonder dat iedere op de Grebbeberg gelegerde commandant op de hoogte was gebracht, mislukten volledig. Een nieuwe inzet van het reservebataljon II-19RI kon bijvoorbeeld niet eens voorbij de hindernissen van de eigen stoplijn komen, omdat ze o.a. werden beschoten door eigen troepen.

Als gevolg van de Duitse doorbraak naar de spoorweg kreeg 4RH later ook de opdracht om in samenwerking met de overblijfselen van het reservebataljon, het II bataljon van het 19 Regiment Infanterie (II-19 RI), een verdedigende opstelling achter de spoorlijn tussen de Rijn en kilometerpaal 25 in te nemen en vluchtende infanterie te stoppen. Deze lijn werd de ‘ruglijn’ genoemd. Hiertoe werd het zuidelijk gedeelte bezet door 3-4RH en 1-4RH en het noordelijk gedeelte wederom door 6-4RH en 2-3RH. 3-4 RH was oorspronkelijk ingedeeld bij Brigade B die in het Land van Maas en Waal optrad. Tijdens een verkenningsopdracht richting Elst en Rhenen, werd het eskadron echter onmiddellijk ingelijfd door de commandant van de 4e Divisie en ingezet om (weer onder bevel van 4RH) de ruglijn bij de spoorlijn te bezetten.

Nederlandse troepen in stelling achter de spoorweg in Rhenen.

 

De Regimentscommandant van 4RH, luitenant-kolonel van Marees Swinderen, werd aangesteld als commandant over alle Nederlandse troepen die aan spoorweg in stelling lagen. Hij was immers ter plaatse de hoogste in rang. Veel informatie en een duidelijk omschreven opdracht kreeg hij echter niet. Ook werden hem geen extra verbindingsmiddelen ter beschikking gesteld. Sommige infanterie- eenheden die aan de spoorlijn lagen, wisten bijvoorbeeld niets van een gezamenlijke commandant. Niemand kon daarnaast 4RH vertellen waar de commandopost van II-19RI was, waardoor pas in de nacht van 13 mei er fysiek contact was tussen de Regimentscommandant en de bataljonscommandant van II-19RI en het te laat was voor een betere onderlinge afstemming. Dat er ook nog andere infanterieonderdelen langs de spoorlijn lagen, heeft niemand de Regimentscommandant van 4RH verteld.

Door het uitblijven van duidelijke orders en de onoverzichtelijke bevelsrelatie traden sommige ondercommandanten daarom naar eigen goeddunken op. In deze uiterst verwarde en onoverzichtelijke toestand realiseerde de Regimentscommandant dat met de reeds beperkte, gedemoraliseerde en door elkaar gemengde troepen niet veel meer viel uit te richten. Hij besloot de bevolen verdediging dan maar met zijn eigen regiment te voeren, zo goed en zo kwaad als dat mogelijk was. Hij probeerde de verdediging te ordenen langs de spoorlijn van de Rijn tot kilometerpaal 25. Tevens vatte hij het plan op om, bij het aanbreken van de dag, de spoorlijn te overschrijden en de hardnekkige verdediging aan de oostzijde te voeren, maar over de toestand aan de oostzijde was niets bekend. Dit plan werd namens de divisiecommandant verboden door de ’s nachts bij de Regiments commandopost op bezoek komende kapitein van de Generale Staf Fiévez. Ook over dit aanvallend voornemen ontstond na de oorlog de nodige commotie.

Uiteindelijk was het Regiment dus langs de spoorlijn (‘ruglijn’ genoemd) opgesteld met een gevechtsgroep Zuid onder bevel van de majoor G.P. de Kruyff, bestaande uit 1-4 RH en 3-4 RH plus een sectie zware mitrailleurs en een sectie pantserafweergeschut. En oost van Vreewijk (nu Noord Rhenen) een gevechtsgroep Noord onder commando van de eskadronscommandant van 2-3 RH, de ritmeester van der Voort van Zijp. Deze gevechtsgroep bestond uit 2-3 RH plus een sectie zware mitrailleurs en een sectie pantserafweergeschut en achterwaarts in reserve gehouden het eskadron 6-4RH.

In de avond en nacht bleef de situatie chaotisch waarbij meerdere eenheden door elkaar raakten. De eskadrons namen hun opgedragen stellingen zo goed mogelijk in, vaak naast de noch aanwezige restanten van infanterie-eenheden. Zo neemt 3-4 RH en een peloton van 1-4 RH stelling in bij restanten van II-19 RI en de Marechaussee eenheid van kapitein G.J.W. Gelderman bij het belangrijke spoorwegviaduct. De Marechaussee eenheid had tot taak zich van de Grebbeberg terugtrekkende of vluchtende Nederlandse soldaten op te vangen en de ruglijn te laten bezetten.

Een laatste Duitse poging om op deze dag nog met een stootgroep het viaduct over deze spoorlijn bij Rhenen te veroveren mislukte door het krachtige verzet van de marechaussees, huzaren en infanterie, waarbij 3-4 RH en een peloton van 1-4RH o.l.v. eerste luitenant J.A.C. Bartels actief bijdroegen aan het afslaan van de Duitse aanval. De Duitse stootgroep verschanste zich na de mislukte actie in een nabijgelegen timmerfabriek ‘De Stoomhamer’.

Pogingen van de Duitsers om versterkingen aan te trekken, mislukten eveneens. Het derde bataljon van het SS Regiment was dus afgesneden, terwijl het eerste en tweede bataljon van dit regiment verder naar achteren de inbraak op de Grebbeberg zelf afschermden. De volgende bataljons van het inmiddels aangesloten 322e regiment weigerden echter om in de nacht voorwaarts te gaan en het derde bataljon te ontzetten. Als reden gaven de bataljonscommandanten ongeoefendheid en gebrek aan artillerie ondersteuning aan. Een Duitse aanval van het 368e regiment over de weg Ede – De Klomp was eerder die dag eveneens vastgelopen in het vuur van de Nederlandse verdedigers van de Grebbelinie.

Het aantrekken van de Duitse artillerie richting de Grebbeberg.

 

13 mei

In de nacht van 12 op 13 mei hielden de gevechten rond de spoorweg aan. De beide eskadrons 3-4RH en 1-4RH lagen in het zwaartepunt van de strijd en werden in de nachtelijke uren beschoten met vijandelijk artillerievuur. Een achtergelaten Nederlands stuk pantserafweergeschut werd, door luitenant Bartels met hulp van enkele huzaren onder vijandelijk vuur weer in de eigen stelling gebracht. Het Nederlandse opperbevel heeft overigens voor 13 mei een grote aanval geraamd vanuit Achterberg om de frontlijn op de Grebbeberg terug te veroveren. De aanval moet gebeuren door vier infanteriebataljons (II-24RI, I en III-29RI en I-20RI), gesteund door de divisieartillerie en een toegezegd Engels luchtbombardement.

De Duitsers maken zich op hun beurt op om op 13 mei de definitieve doorbraak door de Grebbelinie te bewerkstelligen. Terwijl het derde bataljon van het SS Regiment ‘Der Führer’ haar posities bij de spoorweg bezet houdt, krijgen de beide andere bataljon de opdracht de Nederlandse stellingen naar het noordwesten op te rollen. Twee bataljons van het volgende 322e Infanterieregiment moeten de aanval vanuit de Grebbeberg naar het westen voortzetten.

6-4RH had inmiddels ook opdracht gekregen weer stelling te nemen langs de spoorlijn in de oostrand van het oord Vreewijk (nu het noordelijk gedeelte van Rhenen). Ondanks hevig vijandelijk artillerievuur kon hier, in samenwerking met aanwezige infanterie, voorlopig nog standgehouden worden. 2-3RH nam op haar beurt omstreeks 00.30 uur de opgedragen opstelling langs de spoorlijn bij Vreewijk in. Om 03.00 uur begon de Duitse zware artillerie de Nederlandse stellingen te bestoken. Rhenen brandde op tal van plaatsen. Om 05.00 uur werd 2-3RH teruggenomen naar een achterwaarts gelegen viersprong, maar om 09.00 uur kreeg de eskadronscommandant van de regimentscommandant opdracht om toch weer de stellingen van II-19 RI (nog gelegen ten oosten van de spoorlijn) over te nemen. Hiertoe werd 6-4 RH doorschreden, maar door zwaar artillerievuur en mitrailleurvuur lukte het niet om de opgedragen stelling te bereiken. Om 12.00 uur werd het eskadron weer in reserve genomen. Over deze terugtrekkende beweging is later veel controverse ontstaan.

De Regimentscommandopost werd op 13 mei om 10.00 uur onder dekking van 6-4RH verplaatst naar Elst. Dit naar aanleiding van meldingen over doorgebroken vijandelijke eenheden en de dreiging van vijandelijk artillerievuur. Daar arriveerde omstreeks 13.00 uur de chef-staf van de 4e Divisie, die instemde met de achterhoede opdracht voor 4RH. Het plan was om door middel van overlappend achterwaarts bewegen van het eskadron, contact te houden met de vijand. De opdracht ging in zodra de meeste eigen infanterie-eenheden waren doorschreden. Over wie wanneer het officiële terugtochtbevel heeft gegeven is ook na de oorlog controverse ontstaan.

De beide SS-bataljons vielen om 12.30 uur in noordwestelijke richting aan en rolden de Nederlandse stellingen ten noorden van de Grebbeberg op. Doel van deze aanval was het wegnemen van flankerend Nederlands vuur op de weg Wageningen – Rhenen onderaan de Grebbeberg. Het aanvalsdoel is Achterberg. De beide SS-bataljons stuitten daarna op de grotere Nederlandse aanval vanuit Achterberg, maar deze wordt onder meer met luchtondersteuning door Stuka’s uiteenslagen. Met deze Nederlandse tegenaanval waren er van begin af aan problemen. De meeste deelnemende bataljons waren te laat gearriveerd, waardoor de voor de nacht bevolen starttijd niet kon worden gehaald en pas in de ochtend voorwaarts kon worden gegaan. De deelnemende bataljons hadden bovendien geen kaarten en behoorden tot de ‘hogere nummers’, wat betekende dat ze over het algemeen uit oudere reservisten bestonden (huisvaders in de leeftijd van 30 tot 35 jaar) en dus minder geschikt voor aanvallende gevechten. De beloofde Engelse luchtsteun kwam niet opdagen. Wel werd spontaan luchtsteun geleverd door vermoeide Nederlandse vliegers die bommen afwierpen op de Grebbeberg en de Duitsers mitrailleerden.

De Nederlanders werden in de middag ook langzaam van de noordflank van de Grebbeberg verdreven, maar hielden wel stand tegenover de in westelijke richting aanvallende bataljons van 322e Infanterie Regiment. Het SS Regiment probeerde met stootgroepen van het tweede bataljon, Nederlandse eenheden ten noorden te omtrekken en de aanvallende bataljons van 322e Infanterie Regiment te ontlasten. Om 10.00 uur en 12.30 uur had het afgesneden derde SS bataljon nog een tweetal pogingen gedaan om het spoorwegviaduct te veroveren (waarbij Nederlandse krijgsgevangenen als dekking waren gebruikt), maar beide pogingen waren afgeslagen. Het derde bataljon van het SS Regiment besloot daarna om uit te breken in oostelijke richting en kreeg in de omgeving van de dierentuin Ouwehand aan het einde van de middag weer contact met de uitgezonden stoottroepen van het tweede bataljon van het SS Regiment. De gewond geraakte commandant van het derde bataljon, Obersturmbannführer Wäckerle, wordt afgevoerd naar het hospitaal en vervangen door Hauptsturmführer Otto Kumm.

De huzaren van 4RH en achtergebleven infanterie-eenheden kwamen nu in aanraking met de aanvallende bataljons van het ‘verse’ 322e Infanterie Regiment. Ten noorden van het viaduct naderden inderdaad delen van het 1e bataljon van dit regiment de spoorlijn. Ook ten zuiden van de weg Wageningen – Rhenen bereikte een bataljon de spoorlijn en bezette onder meer de zeepfabriek ‘Rhenus’. Delen van de eskadrons van 4RH namen hierop rond 12.30 uur op bevel van de regimentscommandant achterwaarts gelegen opstellingen in.
Rond 13.30 uur volgde inderdaad een hevige en langdurige Stuka aanval op de Nederlandse stellingen bij het spoorwegviaduct. Voor veel uitgeputte Nederlandse soldaten was dit te veel en velen vluchtten naar het westen, waardoor de spoorwegstelling werd verzwakt.

Rond 13.30 uur volgde een hevige en langdurige Stuka aanval op de Nederlandse stellingen bij het spoorwegviaduct.

 

Sommigen officieren en huzaren weigerden aanvankelijk achterwaarts te gaan, waaronder kapitein Gelderman met vijftien marechaussees en luitenant Hollertt die met zijn stuk pantserafweergeschut en tien huzaren onder bevel van 3-4RH stond. Noordelijker lag nog slechts één infanteriepeloton en tegenover dit kleine groepje stond het complete Duitse 322e Infanterie Regiment. Het achtergebleven groepje militairen vocht als leeuwen, maar de Duitsers slaagden er niet in om over de spoorweg te komen.

Het spoorwegviaduct was inmiddels opgeblazen, maar het groepje wilde van geen wijken weten. Er vielen echter steeds meer slachtoffers en de munitie raakte op. Tot vijfmaal toe stuurde kapitein Gelderman een ordonnans naar achteren om contact te maken, maar die kwamen ter onverrichte zake terug. Kapitein Gelderman ging uiteindelijk zelf naar achteren om munitie te halen en droeg het bevel over aan luitenant Hollertt. Nadat Gelderman niet terugkeerde (hij had in Doorn het terugtocht bevel gehoord en men verbood hem terug te keren naar het viaduct) ging luitenant Hollertt als laatste met zijn groep huzaren te voet terug naar achteren, onder achterlating van het onklaar gemaakte stuk pantserafweergeschut. De beide zuidelijke eskadrons 1-4RH en 3-4RH vielen via Remmerden terug naar Elst en later in de nacht naar Leersum. Een voorstel van de Regimentscommandant 4RH om weer geordend richting de spoorlijn in Rhenen op te rukken werd door de 4e Divisie afgewezen.

Ook de noordelijke eskadrons van 4RH zijn inmiddels teruggetrokken. Via tussengelegen opstellingen werd de terugtocht van de zich terugtrekkende restanten infanterie-eenheden gedekt. 6-4RH trok laat in de middag via stellingen bij landgoed Prattenburg terug richting Elst. 2-3RH vormde de achterhoede en trok via de driesprong noord van Remmerden terug naar Elst. In de nacht werd naar Leersum teruggevallen. Pas omstreeks 22.00 uur was de strijd om de Grebbeberg definitief door de Duitsers gewonnen en bereikte het derde bataljon van het 322e Infanterie Regiment Rhenen. De Grebbelinie was op zijn sterkste punt doorbroken. Het 368e Regiment had inmiddels ten noorden van de Grebbeberg Ede bezet en in Wageningen was inmiddels ook het derde regiment van de 207e Divisie (374e Infanterie Regiment) aangetrokken. In het noordelijk gedeelte van de Veluwe waren de andere huzaren regimenten (1RH en 5RH) inmiddels achter de Grebbelinie teruggekeerd, maar hier was de linie nog niet doorbroken door de Duitsers. Wel was het de door Brabant oprukkende Duitse 9e Pantserdivisie gelukt om contact te maken met de bij de Moerdijkbruggen gelande parachutisten en door te stoten tot Dordrecht en Rotterdam.

14 en 15 mei

4RH viel na het invallen van de duisternis terug op Leersum en opereerde de volgende dag 14 mei als achterhoede van de zich op de Nieuwe Hollandse Waterlinie terugtrekkende 4e Divisie, waarbij 2-3 RH weer als achterhoede optrad, versterkt met een sectie pantserafweergeschut. 14 mei was verder een zwarte dag voor het Nederlandse leger. Het Nederlandse verzet in Rotterdam werd gebroken met een zwaar luchtbombardement, waarbij het centrum van Rotterdam werd vernietigd. Nederland capituleerde aan het einde van de middag van 14 mei.

Duitse troepen in de Hoogstraat in Wageningen.

 

De Duitsers trokken op deze dag verder in westelijke richting en bereikten via Amerongen in de late namiddag de forten rond Utrecht. Het gepantserde verkenningspeloton van het SS Regiment trad hierbij op als spits van het 322e Infanterie Regiment.

4RH verzamelde zich intussen op 14 mei in Utrecht op de Malibaan. De beide op de forten rond Utrecht op 12 en 13 mei achtergebleven eskadrons 4-4RH en 5-4RH werden afgelost door infanterie-eenheden en sloten zich weer aan bij het Regiment. Op de Malibaan kreeg het Regiment de opdracht om te verplaatsen naar IJsselstein en nadere opdrachten af te wachten. Hier sloot vanuit Jutphaas ook 2-4RH weer aan werd het capitulatiebesluit ontvangen. Het Regiment bleef tot eind mei in IJsselstein en keerde daarna via Ede terug naar de Boreelkazerne in Deventer. De paarden werden ingeleverd bij de Duitsers en op 15 juni 1940 werd het regiment ontbonden. De verliezen van 4RH bedroegen 8 gesneuvelden en 16 gewonden. 23 man waren vermist.

De standaard van 4RH viel niet in handen van vijand. De Regimentscommandant luitenant-kolonel Jhr. de Marees van Swinderen, had de tegenwoordigheid van geest om de standaard te begraven in een ketel zijn tuin. Op 13 mei 1947 werd de standaard door hem overgedragen aan luitenant-kolonel Janssens, toen belast met het commando over het heropgerichte regiment.

Nederlandse krijgsgevangenen na de slag om de Grebbeberg.

 

Afsluiting

Er is rondom het optreden van 4RH in de Grebbelinie de nodige controverse ontstaan. Vooral vanuit het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) werd de nodige kritiek geuit. De kritiek draaide om drie hoofdpunten. Ten eerste kreeg het Regiment kritiek te verduren voor de ontplooiing op 12 mei. Het Regiment had opdracht gekregen om met twee eskadrons het noordelijk gedeelte van de stoplijn (nabij Kruiponder) te bezetten en voerde dit met 2-3RH en 6-4RH uit. De inzet van deze eskadrons werd nodig geacht omdat de oorspronkelijke deze lijn bezettende onderdelen van de infanterie, de wijk zouden hebben genomen en daardoor een aanmerkelijk gat was ontstaan. Toen beide eskadrons nog nauwelijks hun opstelling hadden bereikt en ingenomen, werd het bevel herroepen door de 4e Divisie en werd opdracht gegeven om te verzamelen west van de jeugdherberg ‘Berg en Dal’. De uitvoering van dit bevel werkte ontnuchterend. Het verlaten van de juist ingenomen stelling maakte op de in de omgeving nog geringe aanwezige infanterie-onderdelen ten onrechte de indruk van een vlucht. 4RH zou te vroeg dit stellinggedeelte hebben verlaten, maar na de oorlog is deze blaam weggenomen.

Het tweede punt van kritiek was het voornemen van de Regimentscommandant om op 13 mei om over de spoorweg aanvallend voorwaarts te gaan. Dit voornemen getuigde volgens het NIMH van weinig realiteitszin en onvoldoende begrip voor de ‘verdedigende taak’ van het Regiment. Daarnaast had de Regimentscommandant in de avond en nacht van 12 op 13 mei onvoldoende activiteiten ontplooid om beter zicht te krijgen in de gevechtssituatie en ook onvoldoende pogingen gedaan om persoonlijk weer in contact te komen met commandant 4e Divisie om de situatie te bespreken.

Ook het terugnemen van 4RH rond 12.30 uur op 13 mei (dus nog een uur voor de grote Stuka aanval) en het (te snel) opgeven van de ruglijn bij de spoorweg in Rhenen heeft na de oorlog de nodige controverse veroorzaakt. Er stonden immers van 4RH nog altijd in de ruglijn ongeveer 500 huzaren met zware mitrailleurs, een paar stukken pantserafweergeschut en enkele mortieren. De mogelijkheden tot standhouden werden niet voldoende in ogenschouw genomen. Zeker niet gezien het feit dat verder noordelijk de Grebbelinie nog altijd niet was doorschreden en beschermd werd door effectieve inundaties. Volgens sommigen gelastte daarom commandant 4e Divisie te snel de terugtocht van 4RH. Omdat er geen schriftelijk terugtochtsbevel van de 4e Divisie bestaat, beschuldigen anderen de Regimentscommandant van 4RH zelfstandige en te vroeg zijn regiment teruggetrokken te hebben. Men rekende kennelijk nog steeds op de kracht van de, ook met inundaties beschermde, Vesting Holland. Ten onrechte, want deze stellingen waren nauwelijks voorbereid en het water stond te laag in de rivieren om voldoende inundaties te verkrijgen.

Identificatie van de gesneuvelde Nederlandse soldaten na de gevechten bij de Grebbeberg.

 

Later werd 4RH vrijgesproken van alle beschuldigingen en haar inzet in het juiste perspectief geplaatst. Opvallend is het effectieve optreden van 5-4RH tijdens de vertragingsopdracht vanuit Oosterbeek via Heelsum, Renkum naar Wageningen. Ook de inzet in de ruglijn langs de spoorweg aan de westzijde van de Grebbeberg is een prestatie op zich. Doordat veel infanteriereserves weggehaald waren bij de Grebbelinie om ingezet te worden in het achtergebied, moest 4RH als reserve worden ingezet in een verdedigende opstelling in het zwaartepunt zonder hierbij te beschikken over veel zware wapens. Ook kon de 4e Divisie geen nauwkeurig inzicht in de situatie verschaffen, waren de commandoposten van de infanterie-eenheden nauwelijks te vinden en waren er geen radioverbindingsmiddelen of artillerieondersteuning. Het Nederlandse artillerie zwaartepunt lag immers bij de ondersteuning van de grote Nederlandse tegenaanval bij Achterberg. Het ondanks deze chaotische toestand en gebrek aan ondersteunende middelen, tot stand brengen van een samenhangende tijdelijke verdediging met vier eskadrons in de ruglijn langs de spoorlijn op 12 en 13 mei is daarom ronduit lovenswaardig.Bovendien mag niet worden vergeten dat 4RH behoorlijk was verzwakt. De angst voor parachutisten speelde een zware rol bij de Nederlandse legerleiding. Gedurende 11 mei te Leersum gelegerd, werd het regiment immers vrijwel gehalveerd en van zijn stootkracht beroofd door de opdracht van de Commandant Veldleger om twee eskadrons te dirigeren naar Utrecht om aldaar de orde te helpen handhaven en forten te beveiligen. Ook de toegevoegde pantserwagens werden voor parachutisten bestrijding naar de Residentie ontboden en werden dus gemist in de strijd in de Grebbelinie.

4RH is erin desondanks geslaagd om onderling verband te houden en de haar opgedragen taken goed uit te voeren. Wel moet hierbij opgemerkt worden dat de onderlinge coördinatie nog wel te wensen overliet. Zowel binnen het Regiment (met soms tegenstrijdige en herroepen bevelen) en m.b.t. het afstemmen van de activiteiten met nog restanten van aanwezige infanterie-eenheden. Het onvermogen van de Nederlandse krijgsmacht om destijds door middel van radioverbindingen en een effectief meldingssysteem (tegenwoordig command & control genoemd) een goed overzicht van het gevechtsverloop op te bouwen en te behouden (tegenwoordig situational awareness genoemd) is hier overduidelijk. Verder deed effectieve Duitse luchtsteun de gevechten soms kantelen, zoals bij de gevechten om Achterberg en bij het spoorwegviaduct in Rhenen. Ook lukte het niet het initiatief te hernemen. Nederlandse tegenaanvallen waren nauwelijks beoefend en misten fantasie. Ze waren te voorspelbaar en kostten te veel tijd om op te zetten. De Duitsers waren sneller, krachtdadiger en behielden het initiatief, zowel op operationeel als op tactisch niveau.

Alles in ogenschouw nemend heeft 4RH zich kranig geweerd en de haar opgedragen taken naar behoren proberen te vervullen. De algehele vermoeidheid, chaotische bevelsverhoudingen op de Grebbeberg en gebrekkige verbindingsmiddelen, hebben krachtig leiderschap op en rond de Grebbeberg verhinderd. Nederlandse verdedigende maatregelen werden onder meer gehinderd door gebrek aan artillerie- en luchtondersteuning, slechte geoefendheid van de coördinatie en afstemming van tegenaanvallen en soms gebrekkig gevechtselan. Aan Duitse zijde waren deze zaken beter voor elkaar. Dit neemt niet weg dat individuele en groepen militairen in alle rangen, waaronder een groot aantal huzaren en cavalerieofficieren zich dapper heeft geweerd. En waarvan sommigen een zware prijs hebben betaald. Deze persoonlijke offers mogen we nooit vergeten.