Cavalerie

Artikelen VOC

maart

Bron: VOC nr 1-2018

Cavalerie in de Eeuw van de Verlichting - deel 1

Schrijver bij beheerder bekend.

'Cavalry is useful before, during and after the battle' - Napoleon

'... the victory will remain with the side having the last squadrons in reserve ...' - Antoine-Henri, Baron de Jomini

De afgelopen jaren wordt er terecht veel gepubliceerd over cavalerie inzet in moderne oorlogvoering en over de mogelijke rol die cavalerie krijgt in toekomstige oorlogvoering. Toch liggen er nog altijd lessen verstopt in de manier waarop cavalerie in het verleden werd ingezet. Deze lessen moeten we in ogenschouw blijven nemen als we ons bezinnen op de toekomstige inzet van ons wapen. We kunnen immers alleen de weg naar de toekomst inslaan als we weten waar we vandaan komen. Daarom publiceren we in de komende nummers van de VOC-Mededelingen een drieluik over cavalerie in de Eeuw van de Verlichting. In deze uitgave deel één. De auteur behandelt hierin een aantal algemene zaken over oorlogvoering in de Eeuw van Verlichting en gaat hierbij tevens kort in op de rol van andere wapens, zoals infanterie en artillerie. In deel 2 richten we de aandacht op Cavalerie in West- en Oost-Europa en in deel 3 tenslotte op de inzet van cavalerie charges op het slagveld.

Oorlogvoering in de Eeuw van de Verlichting

De Eeuw van Verlichting (ook wel Eeuw van de Rede genoemd) was een cultureel-filosofische en intellectuele stroming die ongeveer samenviel met de 18e eeuw. Het was vooral een reactie van filosofen op dogmatisch autoriteitsgeloof, die probeerde de rol van rede en intellect te vergroten. Wetenschap en redenatie werden bevorderd en bijgeloof, intolerantie en rechtsmisbruik bestreden. Deze stroming maakte in Europa grote krachten los en zette de pijlers onder de moderne westerse beschaving met ideeën over gelijkheid, mensenrechten, grondrechten, individualisering, feminisme, socialisme, liberalisme, secularisering en globalisering.

De stroming had ook grote invloed op het militaire denken. Het gebruik van militaire middelen werd minder het domein van dominante koningen en adellijke veldheren. Er kwam steeds meer ruimte voor talent vanuit lagere rangen en het aantal wetenschappelijke studies over oorlogvoering nam toe. Militaire inzet werd steeds vaker wetenschappelijk benaderd (o.a. door Maurice de Saxe, Frederick de Grote, Eugene van Savoie, Charles XII, Vauban en Menno van Coehoorn). Zeker omdat niemand in die tijd een technologisch, conceptueel of moreel overwicht had (het patriottische vuur zou pas na de Franse revolutie ontwaken), kon de kans op succes min of meer mathematisch worden berekend. Strijdmachten werden hierdoor pas ingezet als succes verzekerd was. Terughoudendheid was het devies. Er was nog een tweede reden waardoor er verhoudingsgewijs niet veel gevochten werd. Staatshoofden ontleenden voor een gedeelte hun autoriteit en legitimiteit aan het bezit van een leger. Een leger was immers het fysieke bewijs dat staatshoofden hun onderdanen konden beschermen tegen rovende en plunderende vijandelijke legers. Ook was een leger het ultieme machtsmiddel van koningen om rebellerende onderdanen in de toom te houden. Verlies van een leger maakte een regime dus kwetsbaar voor binnenlandse rebellie of voor een buitenlands geïnstigeerde troonwisseling. En dus was men over het algemeen terughoudend met risicovolle inzet van legers.

De nadruk van de manoeuvres lag dus vooral op het creëren van gunstige uitgangsstellingen door bijvoorbeeld vijandelijke aanvoerlijnen (vaak nog rivieren) te onderbreken of strategisch gelegen plekken te veroveren. Omdat deze laatste vaak versterkte plaatsen waren werden er dus veel belegeringen uitgevoerd. Dit speelde met name in West-Europa (met haar uitgebreide infrastructuur en vele waterwegen). In Oost-Europa werden minder belegeringen uitgevoerd en was er meer sprake van lange veldtochten. Daarom was de rol van de cavalerie in Oost-Europa anders dan in West- Europa. Maar daarover later meer.

Inzet cavalerie tijdens de eeuw van de verlichting.

De legers werden langzamerhand wel groter. Zelfs nog voordat levée en masse was ingevoerd om de successen van de Franse Revolutie te kunnen verdedigen tegen reactionaire mogendheden, nam de omvang van de legers toe. Niet als gevolg van grotere dreigingen, maar als gevolg van de toegenomen bureaucratische mogelijkheden van staten. De staten werden immers als gevolg van de toegenomen kennis door de Verlichting, beter en strakker georganiseerd. Dit grotere organisatievermogen leidde ook tot een betere militaire administratie, waardoor de logistieke en financiële ondersteuning van legers verbeterde. Hierdoor konden staten gemakkelijker grotere legers te velde brengen en deze ook in stand houden. Ziektes en deserties, tot dan toe de voornaamste reden van verliezen, namen hierdoor drastisch af. Logistieke magazijnen namen in aantal en omvang toe en ook verbindingswegen en kanalen werden aangelegd of verbeterd om de oorlogvoering te vergemakkelijken. Oorlogvoering zelf veranderde echter nog niet veel en bleef in de gehele 18e eeuw ongeveer hetzelfde, met slechts lichte technologische vooruitgang. Geen enkele staat had een technologische voorsprong en kon daarom geen langdurig overwicht binnen Europa opbouwen. Omdat fundamentele militaire dreiging (dus bijvoorbeeld gericht op het elimineren van een staat) daarom niet bestond, was er ook geen noodzaak tot grote economische of financiële verandering om de oorlogvoering te verbeteren. Wel werden er stappen gemaakt op het gebied van militaire kennis en zagen de eerste militaire opleidingsinstituten het daglicht. Maar over het algemeen was op het gebied van oorlogvoering, de Eeuw van de Verlichting een eeuw van stilstand en stabiliteit. Pas als gevolg van de ontwikkelingen rond de Franse Revolutie zouden grote veranderingen optreden op het gebied van oorlogvoering.

De terreincondities bepalen de manoeuvremogelijkheden op het slagveld.

Slagveld condities

Slagvelden waren nooit vlakke begaanbare velden. Verdedigende legers probeerden immers tot op bepaalde hoogte de kwaliteit van hun verdediging te vergroten door gebruik te maken van hoogteverschillen, bebouwing en bebossing. Ook werden bij langdurige opstellingen (bijvoorbeeld bij belegeringen of grensposities) infanterie ingegraven. Rug en flanken werden daar waar mogelijk beschermd door bos- of moerasgebieden. Vijandelijke naderingsmogelijkheden werden zo mogelijk onderbroken door greppels, sloten en waterlopen om hun gesloten formaties zoveel mogelijk te verstoren. En kleine dorpjes werden soms benut voor verdedigende opstellingen. De terreincondities konden ook weer niet te chaotisch worden, omdat dit de eigen manoeuvremogelijkheden kon belemmeren. Ook de eigen zijde moest immers manoeuvreren met infanterie- en cavalerie-eenheden om vijandelijke verrassingen te kunnen weerstaan. En om verband in deze manoeuvres te behouden was nu eenmaal ruimte nodig.

Dit gold natuurlijk nog meer voor de aanvallende partij. Deze had enerzijds baat bij gedekte naderingsmogelijkheden om de positie, sterkte en aanvalsintenties niet bloot te geven. Maar na inzetten van de aanval was toch vooral manoeuvreruimte nodig om de eigen formaties zo georganiseerd mogelijk voorwaarts te kunnen bewegen en maximaal (vuur)effect op de vijand te kunnen overbrengen.

De al eerder genoemde slechte zichtcondities waren de belangrijkste reden dat het moeilijk was om met eenheden te manoeuvreren op het slagveld als de gevechten begonnen waren. Zelfs met helder weer was het moeilijk overzicht te houden met het blote oog of telescoop. Bovendien waren er nog nauwelijks kaarten of van zeer slechte topografische kwaliteit. Generaals hadden daarom nauwelijks kennis van het terrein en vijandelijke troepenverplaatsingen werden soms gemaskeerd door heuvels. Veel slagen werden daarom beslist door verrassende gemaskeerde troepenverplaatsingen. Het vermogen om de tactische voordelen van een terrein te begrijpen was een belangrijke voorwaarde om een succesvolle generaal te worden. De cohesieproblemen op het gevechtsveld werden verergerd door matige communicatiemiddelen. Signaalhoorns hadden maar een beperkte reikwijdte en werden vaak niet gehoord of begrepen. Vlagsignalen hadden geen nut, omdat ze door de rook of ligging van het terrein niet gezien konden worden. Het belangrijkste communicatiemiddel was daarom de ordonnansofficier op een paard, maar dan moest hij de aan te sturen eenheden wel kunnen vinden. Bovendien waren er veel kleine formaties en nauwelijks grotere, waardoor het geheel moeilijk was te beheersen voor generaals. Strikte lineaire formaties waren en bleven daarom noodzakelijk om chaos op het slagveld te voorkomen.

Niet alleen de zichtcondities waren slecht, ook de gehoorcondities. Het lawaai op het slagveld was vaak oorverdovend, met bulderende kanonnen, vurende musketten en elkaar moed in schreeuwende mannen. Ook cavaleriecharges waren luidruchtig, met veel lawaai van paardenhoeven, trompetsignalen en schreeuwende en krijsende mannen. De betere officieren hadden hun mannen geleerd om stil te zijn en rustig te blijven tijdens de gevechten, maar de adrenaline en psychologische druk was vele mannen toch teveel.

Infanterie. Een 'Wellington Square' tijdens de slag bij Waterloo 1812.

Infanterie en artillerie

De koningin van het slagveld was in die tijd de infanterie. Gevechten waren tot op zekere hoogte een krachtmeting tussen formaties manoeuvrerende en vurende infanterie met cavalerie vaak op de flanken, die onderling gevechten aangingen. Zeker aan het begin van de achttiende eeuw werd er daarom veel geïnvesteerd in het verbeteren van de vuurkracht van infanterieformaties. De bajonet verdrong de piek langzamerhand en het lontslot werd vervangen door het vuursteenslot. Dit maakte het herladen gemakkelijker, waardoor de onderlinge afstanden konden worden verkleind omdat er minder omvangrijke lichaamsbewegingen nodig waren. De formaties werden gesloten en de infanteristen stonden nu schouder aan schouder. Het bataljon was de basisformatie, met 10, 12 of 16 compagnieën, met elk tussen de 50 tot 100 man. Aanvankelijk was het onderhouden van continu vuur het belangrijkste en werden formaties in meerdere rijen opgesteld (diepte belangrijker dan breedte). Maar later werd vanuit psychologisch oogpunt het afgeven van een gemasseerde volleys belangrijker en werden formaties dus breder en ondieper. Hierdoor nam de kwetsbaarheid voor flank- of rugaanvallen door vijandelijke cavalerie echter weer toe. Elite regimenten waren over het algemeen sterker in mankracht dan de speciaal voor een oorlog opgerichte linieregimenten. Het handgemeen was relatief zeldzaam en de meeste slachtoffers vielen door schotwonden. De nauwkeurigheid van de musketten was gering en training benadrukte dus vooral snelheid van vuurafgifte. Gevechtsveld exercitie was voor de infanterie belangrijk om cohesie te houden en vuur werd afgegeven in linies. Er kon echter alleen in stilstand worden geschoten waarbij in de praktijk vuuruitwisseling plaatsvond tussen twee rijen/formaties infanterie op onderlinge afstand van vaak minder dan 100 meter. De psychologische druk op de voorste rij infanterie was dus aanzienlijk. Officieren liepen bij verplaatsingen voorop en zorgden ervoor dat de rijen niet in chaos vervielen, maar verplaatsen zich voorafgaande aan de onderlinge schotenuitwisseling door de rijen naar achteren om vandaar uit de bevelen te geven.

Bereden artillerie om de bewegingen van de cavalerie te kunnen volgen.

De rol van de artillerie was nog niet zo groot als in onze tijd, maar vooral de psychologische factoren moeten niet worden onderschat. Artillerie was in twee grote groepen ingedeeld, namelijk belegeringsartillerie en slagveld artillerie. Belegeringartillerie was zwaar en moeilijk te hanteren, maar noodzakelijk om vestingen en versterkte steden te beschieten. Met uitzondering van mortieren kon artillerie nog niet indirect vuren, omdat technisch gezien de elevatie beperkt was. Slagveld artillerie kon in lichtere kalibers aan de infanterie-eenheden worden toebedeeld of in grotere kalibers in batterijen worden georganiseerd. De mobiliteit van slagveld artillerie nam aanmerkelijk toe door gestandaardiseerde kalibers en sterkere affuiten. Het zwaartepunt verschoof in de loop der tijd meer naar de in batterijen georganiseerde artillerie. Aanvankelijk werd de slagveld artillerie gezien als aanvulling op het musketvuur van de infanterie, maar in de tweede helft van de achttiende eeuw werd het concept van gemasseerde artillerie toegepast om grote gaten te schieten in infanterieformaties door middel van canister schoten. Daar waar Frederik de Grote nog indruk maakte met batterijen van meer dan 50 kanonnen, organiseerde Napoleon batterijen van meer dan 100 stukken geschut. Nadeel was wel dat artillerie afhankelijk was van de weerscondities en de gebruikte kruitsoort veel rook veroorzaakte dat het zicht op het slagveld ernstig belemmerde. Een ander aspect was medio 18e eeuw de opkomst van bereden artillerie om de bewegingen van de cavalerie te kunnen volgen op het slagveld. Diverse legers in die periode besloten de lichtere vuurmonden (3 en 6 ponders) af te splitsen van de overige artillerie, deze te voorzien van lichtere affuiten en onder te brengen in aparte eenheden, voorzien van volledig bereden personeel.

Gebruik van cavalerie

De rol van de cavalerie op het slagveld was in de Eeuw van de Verlichting nog steeds belangrijk, maar duidelijk ondergeschikt aan die van de infanterie en artillerie. De rol van de cavalerie was afgenomen, omdat de cavalerie moeite had haar effectiviteit te bewijzen tegenover de toegenomen vuurkracht (invoer arquebus) en bescherming (invoer piek) van de infanterie. Ook de invoer van pistolen bij de cavalerie en de toepassing van de zogenaamde caraole (pistolen in linie afvuren en daarna wegdraaien) bracht hierin geen verandering. De reikwijdte van de pistolen legde het af tegen die van de arquebussen en de slag- en stootwapens waren eveneens te kort en te zwak in vergelijking met de piek van de infanterie. De caraole werd zelfs geridiculiseerd als nutteloos. De Franse cavalerie loste dit op door na het afvuren van de pistolen niet weg te draaien, maar met het zwaard in de vuist te chargeren. Maar omdat 'pistoleers' echter relatief kleine paarden reden (ze moesten de paarden immers met één hand onder controle kunnen houden omdat ze met de andere hun pistool moesten kunnen richten en afvuren), kwamen deze charges over het algemeen schokvermogen te kort. De effectiviteit van de vuurkracht van de cavalerie hing bovendien ook af van de reactie van de vijandelijke infanterieformaties. Als de vijandelijke infanterie immers stationair en passief was, bleef het initiatief wel bij de beweeglijker eigen cavalerie liggen. De relatieve ondergeschiktheid van de cavalerie zou pas veranderen toen de artillerie effectiever werd en in staat was om de onderlinge samenhang in gesloten infanterieformaties te verbreken door hun rijen te decimeren. Dit was dan ook één van de voornaamste redenen om cavalerie-eenheden door bereden artillerie te laten ondersteunen.

Een cavaleriecharge. Gebruik van sabel, lans en pistool.

Toch bleef de cavalerie op het slagveld de gehele eeuw toegevoegde waarde houden. Vooral in het begin van de 18e eeuw was de inzet van cavalerie vaak nog beslissend op het slagveld, omdat haar mobiliteit het mogelijk maakte te reageren op slagveld ontwikkelingen, waaronder het uitbuiten van succes. Veel gevechten begonnen niet met infanteriegevechten, maar met onderling kanonvuur of cavaleriegevechten. Vooral omdat de grotere mobiliteit de cavalerie in staat stelde de vijand te bereiken voordat de infanterie dat kon. Veel slagen eindigen bovendien in het begin van de 18e eeuw in cavaleriecharges. Lodewijk de XIV instrueerde zijn maarschalk Luxembourg om 'vooral met cavalerie te manoeuvreren, omdat het infanteriegevechten nauwelijks iets beslissen en alleen maar verliezen opleveren'. In de loop van de 18e eeuw nam in West-Europa de rol van de cavalerie af in veldslagen. Vooral toen de vuurkracht (betere musketten), bescherming (invoering bajonet) en manoeuvreerbaarheid (dichtere formaties) van de infanterie in de tweede helft van de 18e eeuw verbeterde, werd de cavalerie kansloos tegen goed georganiseerde infanterieformaties. Cavalerie maakte alleen een kans tegen gedesorganiseerde infanterie. Hiervoor moest de artillerie eerst gaten in de dichte infanterieformaties schieten (vandaar dat ze in grotere batterijen opgesteld werden en bereden artillerie werd geformeerd) of moest infanterie psychologisch murw geschoten worden. Dit kostte echter tijd. De cavalerie werd ook ingezet tegen vijandelijke artillerie om het beschieten van de eigen infanterie te voorkomen. De getalsverhoudingen in een legerformatie weerspiegelden de verminderde rol van de cavalerie. Napoleon bepaalde bijvoorbeeld dat slechts één zesde van de Franse legers uit cavalerie mocht bestaan, hoewel hij bij de latere inzet in Oost Europa grotere aantallen cavalerie gebruikte.

Gustavus II Adolphus, koning van Zweden, leidt in 1632 een cavaleriecharge tijdens de 30-jarige oorlog.

Cavalerie was ook een uitstekend middel om te reageren op slagveld ontwikkelingen. Infanterieformaties in linie of vierkant zijn moeilijk te manoeuvreren en moesten vaak eerst weer een enkel of dubbel colonne formatie aannemen om vervolgens op plaats van inzet weer te moeten ontplooien. Zowel de verandering van formaties als het verplaatsen van de infanteriecolonnes kostte veel tijd. Dit zelfde gold voor artillerie eenheden. Het kost nu eenmaal tijd om kanonnen in of uit stelling te brengen. Temeer omdat kanonnen om schootsveld te hebben vaak op hoogteruggen geplaatst moesten worden en behalve het in- en uitspannen van de paarden, kostte ook het richten van de kanonnen de nodige tijd. Beweeglijke cavalerie-eenheden waren een veel snellere manier om te kunnen reageren op gevechtsveldontwikkelingen dan infanterie of artillerie. Met paarden in draf of galop verplaats je nu eenmaal sneller dan te voet en bovendien kun je vanuit de hogere positie in het zadel het gevechtsveld beter overzien. Ook werd cavalerie gebruikt om voordelige uitgangsstellingen te kunnen innemen door het tijdig verkennen en vermeesteren van essentiële terreindelen (bruggen, doorwaadbare plaatsen, steden, kruispunten en hoogteruggen). Normaal gesproken kon men meerdere dagen achter elkaar op redelijke wegen en met een hetzelfde paard 30 tot 45 km per dag af leggen. Op goed getrainde en doorvoede paarden kon men op goede wegen soms 50 tot 75 km per dag afleggen.

Cavalerie tijdens de Zevenjarige Oorlog.

De cavalerie probeerde in de 18e eeuw haar rol te verbeteren. Er werd minder aandacht gegeven aan vuurkracht, maar men probeerde vooral het schokvermogen te vergroten. Dit werd gedaan door grotere en betere paarden te fokken en de rijvaardigheden te verbeteren. Ook werd meer getraind op het gebruik van de sabel (en later de lans) vanuit het zadel. Daarnaast werden charges in volle galop of rengalop uitgevoerd en werd de infanterie-cavalerie coördinatie verbeterd.

Paarden werden overigens niet alleen gebruikt voor cavalerie, maar waren ook het belangrijkste trekdier en lastdier voor logistiek en artillerie. En paarden hebben voedsel nodig, veel voedsel. Terwijl een soldaat dagelijks ongeveer 1 ½ pond brood en vlees nodig heeft, consumeert een paard dagelijks 20 pond veevoer of 50 pond vers gras, waaraan eigenlijk nog haver moet worden toegevoegd. Een leger van ongeveer 60.000 man, had vaak ongeveer 40.000 paarden die dagelijks dus 1.000 ton vers gras aten. Dit soort hoeveelheden kon door een leger niet meegevoerd worden. Legers moesten daarom dagelijks grote foeragegroepen uitzenden om voedsel te bemachtigen voor de paarden. Als de grasvoorraad in de nabijheid van een leger was opgegeten, moest een leger dus wel verplaatsen om haar paarden te kunnen blijven voeden. Daarom kon ook meestal niet in de late herfst, winter of vroege lente oorlog gevoerd worden. De paarden konden in deze tijd simpelweg niet gevoed worden. De opslag van veevoer in logistieke magazijnen bood slechts gedeeltelijk respijt. De verplaatsing van het veevoer van de magazijnen naar de operationele legerkampen bleef immers een logistieke operatie van grote omvang, waardoor de operationele flexibiliteit beperkt bleef. De planning voor veldtochten werd dan ook voor een belangrijk gedeelte bepaald door de hoeveelheid beschikbare veevoer wat vooraf beschikbaar was en meegenomen kon worden en door de hoeveelheid die ter plaatse kon worden gekocht of geconfisqueerd. En dit werd weer bepaald door de hoeveelheid boeren die in een gebied woonden en door het groeiseizoen.

Wordt vervolgd. In de volgende editie van de VOC-Mededelingen: Cavalerie in West- en Oost Europa.

Leopard-3

Schrijver bij beheerder bekend.

Op 22 mei 2015 kondigde het Duitse Ministerie van Defensie in een rapport aan de Bondsdag de plannen aan om een nieuwe gevechtstank te gaan ontwikkelen. In de volksmond al snel aangeduid als de Leopard-3. Voornaamste redenen zijn de 50-jarige levensduur van de Leopard-2 die in 2030 afloopt, de ontwikkelingen van nieuwe technologieën en de toenemende dreiging aan de oostflank van het NAVO-grondgebied. 'Technologieën en concepten zullen tussen 2015 en 2018 worden bestudeerd in gezamenlijke onderzoeken waarbij ook de Duitse industrie betrokken is' aldus Markus Grübel, plaatsvervangend minister van defensie. Ook Frankrijk sloot zich in dat zelfde jaar aan bij de werkgroep voor de ontwikkeling van een nieuwe Europese gevechtstank. Producent van de Leopard-2 tank, Krauss-Maffei Wegmann, werkt hiertoe samen in een consortium met de Franse firma Nexter Systems, producent van de AMX-65 Leclerc tank. Inmiddels circuleren in de Duitse pers de eerste concept tekeningen van een gezamenlijk ontwerp van het Main Ground Combat System 'Leopard-3'. Kenmerkend zijn het 140 mm kanon, het 20 mm torendak snelvuurkanon, het Shtora Active Protection System, een voor in het pantservoertuig geplaatste motor en een toegangsluik aan de achterzijde van het onderstel, vergelijkbaar met de Israëlische Merkava tank.



Herinneringen aan La Courtine

Auteur: Oud res Eerste-luitenant der Cavalerie Drs. D.C. van Eibergen Santhagens.

Naar aanleiding van de artikelenreeks in het jubileumnummer van de VOC-Mededelingen ontving de redactie vele reacties. De verhalen in deze editie brachten bij de lezers vaak talloze herinneringen naar boven aan hun eigen diensttijd. Zo ook bij oud-reserve eerste luitenant Daan van Eibergen Santhagens. Als jong kornet bij het B-eskadron 11 Tankbataljon was hij in 1959 een van de eerste pelotonscommandanten die deel nam aan het Nederlandse oefenprogramma in het Franse La Courtine. Een oefenperiode van ruim drie maanden. Gedurende de gehele oefening was het schitterend weer, heet en stoffig. In dit artikel een samenvatting van zijn persoonlijke herinneringen.

Andere tijden
Om goed te kunnen begrijpen hoe het eind jaren vijftig toeging moet men zich eerst inleven in andere tijden dan thans. De Tweede Wereldoorlog lag kort achter ons. De oorlogen in Nederlands-Indië en Korea nog korter. In een eenheid als 11 Tankbataljon waren vele beroepsofficieren en -onderofficieren die in een van die oorlogen hadden gevochten, sommigen zelfs in alle drie. Nederland had toen 500 tanks. Wij moesten niet in uniform met verlof naar huis, wij waren apentrots dat wij in uniform naar huis mochten gaan en het uniform dwong respect en gezag af. Overal. En dan nog een zwarte baret! De Koude Oorlog was op zijn hoogtepunt, Hongarije was krap twee jaar geleden door de Russen overvallen. Toen ik eind 1958 in Oirschot aankwam stonden daar nog jeeps door hun assen te zakken, beladen met zakken kolen, omdat men had gedacht oostwaarts te gaan. Er waren vier krijgsmachtonderdelen die uitblonken in gezond fanatisme: marine en mariniers, commando's en wij, de cavalerie. Wij waren geen slappe doetjes en specifiek opgeleid om dat niet te zijn..

De Centuriontanks van het bataljon gingen per trein naar La Courtine.

Verplaatsing
De lange colonne was gesplitst in een groot aantal delen. Als PC in een jeep, beroepswachtmeester Willem Dekker aan het stuur, daarachter een pakket DAF vrachtwagens met personeel, daarachter de DAF vrachtwagens met plunjezakken en overige bagage. Voor- en achter mij hetzelfde patroon. Ik had zelfs geen kaart van Frankrijk, het was gewoon: je voorganger volgen. Het tempo was stuitend traag. We hielden ons bezig met afstand schatten met behulp van de dagteller.

In Frankrijk werden wij door allerlei dorpen en stadjes geleid. Op elk kruispunt stonden een of meer gendarmes in gala-uniform, witte kepie op en witte handschoenen aan, die ons maar door zwaaiden. Dat leek goed te gaan. Tot wij op een kruispunt kwamen van vijf wegen en er op elke weg een deel van onze colonne bleek te staan. Het ontwarren van zo'n knoop kostte behoorlijk veel tijd. En zoiets gebeurde een aantal malen.

Het was de bedoeling 's morgens zeer vroeg te vertrekken om ergens in het midden van de middag op de bestemming aan te komen. Hoe vind je in dat bivak de latrines, die ergens aan de rand schijnen te liggen? De overste Hollert, die blijkbaar aan alles had gedacht, had daar de volgende truc voor. Gekleed in veldschoenen en daarboven alleen een zeer opvallende glimmende lichtblauwe zwembroek, liep met een paar vrienden de kanten van het bivak langs en nam bij elke latrine de plashouding aan. Hij was niet te missen. En zo kende iedereen de weg. Hollert was in elk opzicht een voortreffelijke commandant en bovendien zeer aangenaam om mee om te gaan. De verplaatsing van Eindhoven naar La Courtine duurde drie dagen.

De meerdaagse verplaatsing van Eindhoven naar La Courtine over een afstand van 900 km voerde langs vele Franse dorpen en stadjes.

Aankomst
Direct na aankomst werd ons door de Fransen meegedeeld dat er twee wegen naar het dorp liepen vanuit het kamp, maar wij mochten er maar één gebruiken. Langs de andere weg waren Noord-Afrikaanse troepen gelegerd. Liep je daarlangs dan ging het soms goed fout. Een paar huzaren zijn zo stom geweest die weg wel te lopen, en die zijn behoorlijk in elkaar geslagen. Dus: in 1959 wisten de Fransen ons al te vertellen dat zij zelf hun eigen Noord-Afrikanen niet onder controle konden krijgen, maar in 2017 weten wij het beter.

Inkwartiering
De legeringsgebouwen waren van zeer slechte kwaliteit. Alle officieren tot en met de rang van majoor werden hier ondergebracht en werden met drie personen op kamers ingedeeld die voor twee personen waren ontworpen. Er was een rammelig derde bed bijgeplaatst, maar er was domweg te weinig kastruimte. Het was dus per definitie op al die kamers altijd een rotzooi.

De legering liet vaak te wensen over.

Oefenprogramma
Technisch gesproken waren wij in La Courtine aangekomen voor het oefenen met de infanterie. De totale oefenperiode was voor ons van 4 juli tot 2 november en omvatte vier oefenperiodes van elk drie weken: elke drie weken een nieuwe infanterie-eenheid. Het tankpeloton draaide elke oefening dus vier keer. Ons langdurige verblijf omspande wat wij twee volledige shifts kunnen noemen. Een shift is één oefening, waarbij het hele bataljon is ingeschakeld, tweemaal een oefening voor elk eskadron samen met een bataljon infanterie (dus zes in totaal), de rest oefeningen met een peloton tanks met een compagnie infanterie, dat was ruim 90% van het totale aantal.

Het waren voor alle betrokkenen zware dagen met intensieve programma's. In de hitte was het voor de infanterie vragen om zonnesteken, die dan ook niet uitbleven als er in die hitte midden op de dag in volledig gevechtstenue tegen de heuvels op gerend moest worden. Al vrij snel werden de oefeningen daarom verplaatst naar zo vroeg mogelijk in de ochtend. Dit betekende dat het normale dagprogramma er als volgt uit zag: of 's morgens vroeg naar locatie of, soms, de avond tevoren en dan in bivak, na de oefening op de tankbaan de tanks onderhouden, daarna kon er tot etenstijd best wat in de zon gelegen worden. De huzaren konden 's avonds naar het dorp. Het kader ging dan de oefening van de volgende dag voorbereiden, eventueel de bevoorrading plannen en organiseren.

Verplaatsing van de Centurion tanks per dieplader naar het oefenterrein.

Pelotonsoefeningen
Voor dit oefenprogramma werd een geheel eigen exercitie ontwikkeld, in feite om de infanterie te imponeren. Het peloton reed van de centrale tankbaan naar de oefenlocatie. Met loeiende motoren en in een enorme stofwolk kwamen de tanks aan denderen op een site waar de infanterie al aanwezig was. Daar werden de tanks, liefst achteruit in een bosrand, naast elkaar geparkeerd. Motoren af. De kornet springt uit de tank en loopt wat naar voren, dan blaast hij één keer op de fluit. Drie man uit elk de tank, plaats rust ervoor. De kornet blaast twee keer op de fluit. De pelotonswachtmeester zet het peloton in de houding en meldt het peloton aan de kornet. De kornet geeft eerste rust en begint wat verveeld rond te kijken tot de kapitein van de compagnie infanterie het begrijpt en zich bij de kornet meldt. Succes verzekerd.

Ridders in de NachtOriënteren in het terrein was moeilijk, bij nacht bijna onmogelijk. Er waren geen markante punten, water- of kerktorens of zo. Kornet Rob Smit en ik krijgen op een avond de opdracht ons onmiddellijk met acht tanks te verplaatsen naar opgegeven coördinaten die nieuw voor ons waren, onbekend gebied dus. De opdracht kwam op een zeer ongelukkig moment, vrijwel alle chauffeurs waren in het dorp en dus onbereikbaar. (Even voor de goede orde: mobiele telefoons bestonden nog niet.) Wij hebben in de achterste tank een echte chauffeur gezet en een wachtmeester met radio verbinding in de voorste tank. De tussenliggende tanks werden bestuurd door een aantal huzaren die zeiden dat ze dat wel konden, hetgeen gelukkig juist bleek te zijn. Verder geen bemanning er in. Wij op pad, een maanloze nacht. Rob en ik met zaklantarentjes en een kaart in de toren, vrijwel onmiddellijk verdwaald in een donker bos. De wachtmeester roept ons op: 'stop en kijk achterom'. Er waren kurkdroge takken op het gloeiendhete achterdek van een van de tanks gevallen en de zaak was in brand gevlogen. Eerst de brand blussen. Wij gingen verder en kwamen in een soort moeras en eindelijk op een soort weg. Merkwaardig was wel dat die weg om de zoveel meter een kuil bleek te hebben, afwisselend rechts en dan weer links. Uiteindelijk hebben wij de opgegeven plaats weten te vinden. Later kwamen de bemanningen, het ontbijt en de koffie. De oefening kon doorgaan.

Een dag later vroeg ritmeester Tengbergen ons met hem mee te gaan in zijn jeep. 'Moeilijke tocht gehad hè? Ik zal jullie laten zien wat je gedaan hebt'. Zo kwamen we weer bij die weg terecht. De weg was onderdeel van de waterwinning uit het moeras voor de gemeente La Courtine en de kuilen waren de putten geweest om het water op te vangen en af te voeren. Die waren door ons grondig in elkaar gereden, maar zijn daarna weer keurig door defensie hersteld.

Pelotonsoefeningen met de infanterie.

Eskadronsoefeningen
Op een avond nodigde ritmeester Tengbergen zijn officieren uit om per jeep op verkenning te gaan voor de komende eskadronsoefening. Hij en luitenant Schillemans achter het stuur, de drie kornetten achterin. Wij reden een heuvel op en daarachter bleek een enorme vlakte te liggen. In die vlakte verplaatste een eskadron tanks, in een grote cirkel, met de kanonlopen naar buiten gedraaid. In het midden stond één tank, de koepel daarvan draaide mee met de tanks die in de cirkel rondreden. Wij keken elkaar stomverbaasd aan. Tengbergen roept met de 538 radioset op het bataljonsnet: 'hier Tengbergen Bravo-eskadron, meldt je'. En daar komt het antwoord: 'hallo Harry, hier Vick Bouwdijk met het Charlie-eskadron'. Vervolgens vraagt Tengbergen hoe Bouwdijk in vredesnaam aan deze exercitie komt. En het onthutsende antwoord luidt: 'uit de Indianenfilms natuurlijk sufferd'. Gierend van de lach gingen wij verder, dit hadden we echt niet kunnen bedenken.

Bataljonsoefeningen
Overste Tengbergen had mij gevraagd om als chauffeur in zijn tank mee te gaan. En zo kwam er na elke behoorlijk genomen hindernis over de intercom: 'prima Santhagens, dit is de duurst betaalde tank van het bataljon'. Wij reden een helling op, daarna volgde een plateau, weer een helling, uitzicht op de vlakte waar de eindsprint naar toe ging. Jachtvliegtuigen vlogen laag over en gooiden bommen af, spectaculair, maar niemand had ons verteld dat wij niet mochten kijken.

De tweede oefening zou net zo gaan verlopen als de eerste. Echter, onze Franse vrienden hadden ons een kleine verrassing bereid: zij waren in het plateau begonnen een geul te graven voor de aanleg van een pijpleiding. Niets vermoedend reden wij dus de eerste helling op, schakelen op om goed vaart te krijgen, en duiken met vijftig tanks op linie, loop naar voren, een diepe geul in. Als gekken remmen, torens draaien zodat de lopen niet in het zand kwamen. Daarna ging alles prima.

Het onderhoud gebeurde op de tankbaan. Gezien het fantastische weer was het al meteen: ontbloot bovenlijf. De huzaren hadden ongeveer één dag nodig om te ontdekken dat de loepzuivere olie voor het doorhalen van de loop, een perfecte zonnebrandolie was. Het gebruik nam dus wat toe.

Onderhoud aan de tanks, wapens en uitrusting.

Op grond van de terrein- en weersomstandigheden konden alle onderhoudsvoorschriften rechtuit de prullenmand in. Door het warme weer en het vele stof moesten de luchtfilters bijna elke dag geschoond worden. Er was veel slijtage aan de tracks, dus spannen en/of trackblokken wisselen, alles op open grond. Benzine tanken met jerrycans was tijdrovend en lastig. Door het rijden in heuvelachtig terrein raakten de radio's vaak ontregeld. Die moesten regelmatig worden nagezien en eventueel gekalibreerd. Op een van de eerste dagen komt er een peloton de tankbaan oprijden met flarden van puptenten aan de schotten en in de tracks. Die waren in de ochtendmist zonder het te herkennen door een, gelukkig verlaten, infanterie bivak heen gereden.

Voeding en ontspanning
Er werden vaak barbecues georganiseerd. Het weer leende zich daar natuurlijk uitstekend voor. Mijn enige vervelende herinnering is de enorme hoeveelheid blikken tonijn met olijfolie die ik in de tank te velde heb gegeten. Nog jaren later kon ik ze niet meer zien. Voor ontspanning gingen de huzaren naar het dorp. Na enige tijd ontwikkelde zich een soort beschermende rol. Wij waren er lang, de infanterie kort. Als de infanterie stennis begon te schoppen riepen de huzaren ze tot tevredenheid van de dorpelingen tot de orde. Er vielen regelmatig klappen.

In het weekend was er vervoer voor iedereen naar een of ander meer in de buurt, waar gezwommen kon worden. Voor de officieren was het weekend vaak anders na de altijd drukke week. Er werden afgetankte jeeps beschikbaar gesteld, een per twee kornetten. De hogere officieren hadden elk hun eigen jeep. Met die jeeps mochten wij binnen een cirkel met een straal van 100 km gaan passagieren. Je kon dus overal gaan lunchen of dineren en de keuze was enorm.

Weekendbreak: zwemmen in een meer in de omgeving.

In vele Frans dorpen werden in die periode midzomernachtfeesten gehouden. Die stonden overal met borden en datums aangekondigd. Meestal namen we een van de beroepswachtmeesters mee, die konden veel beter rijden dan wij. Heen was simpel, dan was het nog licht. Die feesten waren voor ons grandioos. Frankrijk is een militaristisch land. De dames waren snel gecharmeerd van Nederlandse officieren in zomertenue met een zwarte baret, wij dansten en dronken er op los. Wij hadden al snel geleerd dat je op de terugweg, als het aardedonker was, je stofbril moest dragen en tankhandschoenen. Er wilde nog weleens een roofvogel of uil uit het pikdonkere bos een jeep induiken, verblind door de koplampen. Mij is dat tweemaal overkomen. Die vogel was dan natuurlijk dood door de enorme klap.

Wij liggen te snurken en er wordt ruw op de deur geklopt. Er komen twee marechaussees binnen samen met een boze moeder en een jankende dochter. De jankende dochter priemt haar vingertje in de lucht en zegt: 'c'est pas lui, c'est pas lui, c'est pas lui' en ze denken weer te kunnen vertrekken. Maar wij stoppen de marechaussees even: wat is hier aan de hand? 'Ja heren, zij zegt dat ze gisterenavond gepakt is door een vent. Maar ze weet alleen nog maar dat hij een zwarte baret op had. En daar lopen er hier een paar honderd van rond. Dus ik denk niet dat we dit oplossen, goede morgen'.

Einde oefening en gereed maken voor verplaatsing over de weg naar Bergen-Hohne.

Einde oefening
Op een gegeven moment kwam er uiteraard een einde aan het oefenprogramma en moesten wij ons gaan voorbereiden op de verplaatsing naar Bergen-Hohne. Maar voor het zover was werden wij door overste Hollert uitgenodigd voor een lunch te velde, in servicedress, zomertenue. Het bleek een galalunch te zijn. Lange tafels met witte kleden, prachtig gedekt, en huzaren van het stafeskadron in een witte livrei klaarstaand met bladen met glazen witte wijn. Er kwamen ook allerlei Nederlandse geestelijken, daar hadden wij niet echt een boodschap aan. We hadden ze immers nooit te velde gezien en dan nu mooi komen lopen doen. Onder de gasten waren tevens Franse civiele autoriteiten aanwezig, waaronder het gemeentebestuur van La Courtine.

Er werd goed gegeten en vrolijk gedronken. Veel gespeeched in Frans en Nederlands. En toen nam generaal Gips het woord. Hij ging de hele periode langs van de zeer succesvolle oefeningen. Hij was buitengewoon goed gedocumenteerd. Door het succes zou er zeker een herhaling van dit programma komen in de volgende jaren. Hij dankte overste Hollert en het hele 11e Tankbataljon uitvoerig en ging toen een bocht in die niemand had verwacht. Hij gaf aan dat het bereikte resultaat voor een zeer groot deel te danken was aan het optreden van de pelotonscommandanten, de kornetten. Omdat dezen veruit het grootste deel van de oefeningen geheel zelfstandig met de diverse infanteriecompagnieën hadden gedraaid. Hij had een speciale beloning voor ons bedacht: hij schonk de kornetten van het bataljon het recht om gedurende hun resterende diensttijd een officiersstokje te mogen dragen. Alom verbazing en luid applaus. Wij haasten ons om een collectie van de meest extravagante Franse rijzwepen te kopen die er maar te vinden waren en liepen er als trots pauwen mee te pronken. En maar naar elkaar groeten, net kleuters.

Herinneringen aan La Courtine.

Voor wij naar La Courtine gingen was het bataljon in Monschau geweest. Voor mij was de diensttijd dus: 1958 opleiding, 1959 veel in het buitenland oefenen en in 1960 afzwaaien. Het was een fantastische diensttijd. Ik kan mijn collega's beroepsofficieren niet dankbaar genoeg zijn dat zij er zo'n feest van hebben gemaakt, in en buiten de mess. Het zal niemand verbazen dat ik een verklaard voorstander van een door iedereen, man en vrouw, te vervullen dienstplicht. En dat hoeft niet altijd iets militairs te zijn, er zijn andere eveneens nuttige toepassingen denkbaar waarbij de ervaring van het militaire apparaat kan worden ingezet. Maar wel onder de voorwaarde dat er, zoals in mijn tijd, ruime middelen beschikbaar zijn om nuttige dingen te doen.

Links met de paraplu is Robbert Smit (artikel hieronder), rechts ben ik (artikel hierboven), is het niet fantastisch, op de SROC Reünie en dan met die achtergrond.


Herinneringen aan La Courtine

Auteur:Oud-reserve eerste luitenant Robbert Smit

In de vorige editie van de VOC-Mededelingen blikte oud-reserve eerste luitenant Daan van Eibergen Santhagens terug op zijn diensttijd als jong kornet bij 11 Tankbataljon Regiment Huzaren van Sytzama. Zijn lichting (58-4) behoorde tot de eerste groep militairen die deelnam aan het Nederlandse oefenprogramma in het Franse La Courtine. Zijn 'slapie' Robbert Smit zond de redactie een aanvulling op dit verslag. Dienstplichtig kornet Robbert Smit was destijds treincommandant van de eerste tanktrein met Centuriontanks van Nederland naar Frankrijk. Een avontuur op zich.

Tanktrein

Aan het einde van onze opleiding aan de School Reserve Officieren Cavalerie te Amersfoort werden wij 's nachts van ons bed gelicht en op transport naar Hohne gezet om ons te melden bij het bataljon. Bijna vier maanden later kwamen wij op een vrijdag voor het eerst in onze kazerne te Oirschot aan. Zo ging dat destijds. Daar aangekomen moesten de kornet Thijs Hesselink en ondergetekende bij de eskadronscommandant komen, ritmeester Tengbergen, en kregen wij te horen dat wij even naar huis mochten, maar ons zondag om twee uur moesten melden op het rangeerterrein in Roosendaal. Wij werden aangewezen als treincommandanten voor de eerste tanktrein naar La Courtine. Aangekomen in Roosendaal op zondagmiddag stonden onze tanks, inmiddels gearriveerd vanuit Hohne op de bekende platte wagons met onze tankchauffeurs en drie wachtmeesters, reeds te wachten. Wij zouden pas 's avonds vertrekken en hadden daarom genoeg tijd om de personenwagon in te richten voor een verblijf van een week. De tanktrein kon alleen verplaatsen als er geen regulier spoorverkeer op het betreffende baantraject plaatsvond. Wij hebben dan ook na ons vertrek eindeloos op een aantal rangeerterreinen stilgestaan.

Parijs

Op maandagochtend kwam de trein tot stilstand op een rangeerterrein vlak boven Parijs met uitzicht op de Arc de Triomphe. Onze huzaren, waarvan één mij later vertelde dat hij nog nooit zijn dorp uit was geweest, waren niet te houden daar zij op het reisschema hadden gezien dat wij pas 's avonds weer zouden vertrekken. Kortom, crisisberaad. In overleg met de wachtmeesters hebben wij toen besloten, onder dreiging van hel en verdoemenis, dat zij in groepjes en onder leiding van de wachtmeesters Parijs in mochten. Tot grote opluchting van Thijs en mij waren de heren weer compleet aanwezig toen wij voor vertrek appèl hielden.

Appèl voor vertrek uit Parijs. Samen uit samen thuis.

Aankomst in La Courtine

Na twee dagen werd de trein in twee delen gesplitst vanwege het valse plat in aanloop naar het Centraal Plateau. Twee dagen later wederom een opsplitsing, nu in vier delen. Vrijdag kwamen we aan in La Courtine en werd de tanktrein gelost, gevolgd door een verplaatsing naar een plateau boven het oefenterrein bij La Courtine, waar de tankbemanningen in bivak gingen. De Franse kampcommandant nodigde Thijs en mij uit om te slapen in de officiersbarak. Na de volgende ochtend na een week eindelijk weer eens gedouched te hebben, een Frans ontbijt in de officiersmess. De Franse officieren met een glaasje Pernod. Opeens hoorden we een gegil en geschreeuw. In bontgekleurde lappen gehulde vrouwen werden in twee open trucks afgevoerd, uitgeleide gedaan door hun joelende amants. Waarna ook de Franse soldaten vertrokken en 's middags gelukkig de Nederlandse schoonmaakploegen arriveerden. Eind van de week kwam de rest van het tankbataljon aan in vrachtwagens en jeeps na een meerdaagse verplaatsing over de weg van ruim 900 km. Nu kregen ook de huzaren een echt bed.

Tanktrein op het Centraal Plateau.

Terug naar Hohne

Ruim drie maanden later, na het einde van de oefenperiode in La Courtine, werd het bataljon aansluitend naar Hohne gestuurd voor een schietserie. Een verplaatsing gedurende vijf dagen over de weg onder leiding van de overste Hollert van welgeteld 1611 km. Het langste wegtransport van het Nederlandse leger in vredestijd. Onderweg werden bivakken betrokken in Bourges, Chalons sur Marne, Mannheim, Kassel en Hannover. In Hohne werd geschoten met de tanks van 41 Tankbataljon Regiment Huzaren Prins Alexander.