Cavalerie

Artikelen VOC

Verlichting deel 1 en 2.

VERLICHTING

september 2018

Bron: VOC nr 3-2018

Cavalerie in de Eeuw van de Verlichting - deel 3

Schrijver bij beheerder bekend.

'Cavalry is useful before, during and after the battle' - Napoleon

'... the victory will remain with the side having the last squadrons in reserve ...' - Antoine-Henri, Baron de Jomini

De afgelopen jaren wordt er terecht veel gepubliceerd over cavalerie inzet in moderne oorlogvoering en over de mogelijke rol die cavalerie krijgt in toekomstige oorlogvoering. Toch liggen er nog altijd lessen verstopt in de manier waarop cavalerie in het verleden werd ingezet. Deze lessen moeten we in ogenschouw blijven nemen als we ons bezinnen op de toekomstige inzet van ons wapen. We kunnen immers alleen de weg naar de toekomst inslaan als we weten waar we vandaan komen. Daarom publiceren we in de VOC-Mededelingen een drieluik over cavalerie in de Eeuw van de Verlichting. In de vorige edities behandelde de auteur een aantal algemene zaken over oorlogvoering in de Eeuw van Verlichting en de cavalerie in West- en Oost-Europa. In het laatste deel van deze serie artikelen aandacht voor de inzet van cavalerie tijdens charges op het slagveld.

Cavalerie charges

De meeste cavalerie manoeuvres gebeurden in colonneformatie, soms ook de charges. Vaak werden er meerdere colonnes naast elkaar opgesteld en vervolgens gemanoeuvreerd. Het voordeel hiervan was een snelle ontplooiing, doordat de paarden vanuit de kleinere colonnes sneller naast elkaar konden worden gedreven. Een colonne formatie had als voordeel dat ze gemakkelijker door bebouwing of gebroken terrein kon worden gemanoeuvreerd. Ook kon er sneller worden gereden en gemakkelijker van richting worden veranderd. Colonnes waren echter wel kwetsbaarder voor artillerie en er waren relatief weinig wapens in front. Ook was een colonne gemakkelijk ontregeld bij ongevallen. Een vallend of struikelend paard leidde vaak tot chaotische taferelen doordat volgende ruiters (het zicht ontnomen door het stof) eveneens in de problemen kwamen en de druk van achteren tot opstoppingen leidde.

Het belangrijkste cavalerie manoeuvre was de charge die (gedeeltelijk) in linie werd uitgevoerd. Linies konden ingezet worden met de flanken (licht) terughangend of zelfs geëchelonneerd naar links of rechts. Dit was soms nodig om sneller op (flank) dreigingen te kunnen reageren. Charges werden echter meestal niet in een complete linie uitgevoerd, maar in schaakbord formatie of in twee linies. Een lange linie had natuurlijk wel als voordeel dat ze minder kwetsbaar was voor kanon- en musketvuur en een lange linie kon gemakkelijker de flanken van de vijand omvatten. Grote nadelen was dat met een lange linie moeilijker gemanoeuvreerd kon worden en dat hij gemakkelijker gebroken kon worden. Ook bestond het gevaar dat een lange linie in kleine groepjes uiteenviel, door verliezen, gebroken terrein, snelheidsverschillen of paniek. Ook waren de flanken van een lange linie op zichzelf zwak. Daarom bezat een chargerende linie vaak zowel breedte als diepte. Diepte was immers noodzakelijk om de impact van de eerste linie kracht bij de zetten en de charge te kunnen voortzetten in de diepte. Ook kunnen de volgende linies worden ingezet tegen (flank)aanvallen van vijandelijke cavalerie of kwetsbare vijandelijke posities, die voorheen niet bekend waren. Om zowel breedte als massa te genereren werd er meestal gechargeerd met grotere cavalerieformaties van meerdere regimenten tot soms wel complete divisies. De voorste eenheden reden dan bijvoorbeeld in linie en de achterste (nog) in colonnes. De grootste cavaleriecharges vonden plaats tijdens de Napoleontische Oorlogen (Leipzig: 85 eskadrons, Borodino: 80 tot 100 eskadrons, Dresden: 54 tot 62 eskadrons, Waterloo: 68 eskadrons, Eylau: 40 eskadrons).

Frans Dragonders en Poolse Uhlanen chargeren op linie op Russische infanterie.

Charges gebeurden aanvankelijk in draf in twee of drie linies. De onderlinge afstanden tussen de paarden en de linies waren aanvankelijk zes meter, maar konden op het laatste moment worden verkleind tot gesloten orde (onderlinge afstand van één meter) of dubbel gesloten orde. In het laatste geval reden de ruiters knie aan knie en waren de linies paarden opgesloten tot kop-kont. De verkleining van de onderlinge afstanden werd bereikt door de tweede linie in de eerste linie te drijven. De derde linie werd vaak als reserve of rally-punt gebruikt. De beste mannen werden in de voorste linie en op de flanken ingezet.

De meeste cavaleriecharges werden niet blind gelanceerd. Meestal werd door een paar verkenners (vaak officieren) nog even gekeken of de charge wel op de juiste plaats en tijdstip plaatsvond en of er geen onverwachte hindernissen (sloot, greppel, moerasgebied) op de route lag, die niet op de kaart stond aangegeven. Des te meer eskadrons tegelijk chargeerden, des te belangrijker was een dergelijke last-minute verkenning. Deze was overigens niet ongevaarlijk want vijandelijke infanterie schutters (skirmishers) wisten de waarde van deze bereden verkenners.

De charge begon vaak in de stap (6,5 km/h) om zich te kunnen opstellen in de juiste formatie en in de juiste richting. Als de richting juist was, werd overgegaan tot de draf (rond de 13 km/h) of snelle draf (18 tot 26 km/h, afhankelijk van de paslengte van een paard). Dit was nodig om de onderlinge verbanden te kunnen handhaven, zeker gezien sommige obstakels op de route van de charge. Enkele honderden meters voor de impact op de vijandelijke troepen werd pas overgegaan tot de galop (40 tot 48 km/h). Goed getrainde cavalerieformaties hielden hun snelste paarden in, zodat een ruiterlinie min of meer tegelijk haar impact kon maken. Het tot het laatste moment inhouden van de paarden was niet gemakkelijk. Ruiters hadden hierdoor (te) veel tijd om na te denken over de gevaren van de charge en het gevaar bestond dat men de paarden eerder begon aan te sporen en de vrije teugel te geven, waardoor de formatie uit elkaar viel en het psychologisch effect van de impact werd gereduceerd. Bovendien steken de paarden elkaar aan, waardoor de beste paarden (de ruiters) als eerste bij de vijand arriveren. En dus het kwetsbaarste zijn.

Zweedse cavalerie valt aan op twee linies.

Paarden kunnen bovendien niet onbeperkt chargeren. Een te lange galop put het dier uit. Na een fikse galop zijn vaak 10 tot 15 minuten nodig om de longen van het paard weer tot rust te brengen en de neusgaten te verkleinen. Ook kunnen maar weinig paarden meer dan 5 km per dag galopperen. Een relatief korte charge is dus het effectiefst. Een te lange charge putte niet alleen de paarden uit, maar verbrak ook de ruiterformatie en desintegreerde een gesloten ruiterformatie tot een losse horde. Behalve dapperheid was ook discipline belangrijk voor een cavalerie-eenheid en hiervoor waren ervaren cavalerie officieren nodig. Deze kennen de slagveldomstandigheden en het gevechtsplan van de generaal. Ze wisten wanneer te chargeren, wanneer juist niet te chargeren, hoe te chargeren, waarop te chargeren en wisten hun ruitereenheden zowel voor, tijdens als na de charge in te hand te houden. Ze wisten bovendien wanneer wel en wanneer juist niet voorop te rijden. En ze hielden zichzelf en hun paard in de hand.

Een charge op een gedisciplineerde infanterie-eenheid was kansloos. Vaak sloeg de vertwijfeling al toe bij cavalerie-eenheden en was het elan al uit de charge voordat de vijandelijk infanterieformatie was bereikt. Indien standvastige infanterie de zenuwen in bedwang kon houden en het beeld van de aanstormende paarden kon weerstaan, de eigen formatie niet verbrak, wachtte met afgifte van de musketvolley tot het laatste moment en voldoende bajonetten in front had, had een cavaleriecharge weinig kans van slagen. Ook charges op de flank of rug hadden verminderd kans, toen de infanterie leerde om bij een dergelijke dreiging snel carré-formaties aan te nemen. Psychologie speelde hierbij een belangrijke rol. Charges op 'gebroken' infanterieformaties of vluchtende infanterie waren vrijwel altijd succesvol. Ook bij charges op open en onbeschermde artillerie opstellingen was de kans op glorie groot.

Cavalerie sabelgevechten tegenover ordeloze infanterie waren kansrijk omdat met een sabelhouw vanaf de grotere hoogte van een paardenrug (en in een rechte verplaatsingslijn van het paard) gemakkelijk hoofd, schouders en torso geraakt kon worden. Onderlinge cavalerie sabelgevechten waren lastiger omdat men met de paarden om elkaar heen draaide voor gunstigere slagcondities en de slaghoogtes gelijk waren. Sabelhouwen konden gemakkelijker afgeweerd worden. Ook raakten sabels snel bot doordat ze vaak beschermende uniformstukken of wapens raakten.

Cavalerie sabelgevechten tegen ordeloze infanterie waren kansrijk.

Aan het begin van de 18e eeuw werd cavalerie vaak met vuurwapens uitgerust en ingezet. Het georganiseerd afvuren van vuurwapens vanaf paardenruggen was niet eenvoudig en gebeurde aanvankelijk door middel van de 'caracolle,' waarin opeenvolgend de linie ruiters hun musketten of karabijnen afvuurden en na afvuren naar links of rechts wegreden om achterin in de formatie de wapens te herladen. Het herladen van de wapens vanaf een paardenrug was niet eenvoudig en werd vaak achterwege gelaten. Paarden raakten bovendien vaak in paniek door het afvuren van de wapens vlakbij hun oren en konden maar met moeite onder controle worden gehouden. Hierdoor waren linies paarden instabiel en gingen ze soms spontaan over tot een charge. De energie van de paarden kon dan immers naar voren worden gericht. Vaak werd er dus na het afvuren van de wapens (en nog eerder) gechargeerd. De witte rook van het afvuren van de wapens werd gebruikt om de charge te kunnen inzetten.

Cavalerie charges op artillerie was geen vanzelfsprekendheid. Chargeren recht op met canister (granaatscherven) geladen vuurmonden was immers zelfmoord. Een charge op de flank of rug van een artillerie-eenheid of een artillerie-eenheid die stelling aan het wisselen was, had wel veel kans op succes. Maar dit was zeker niet risicoloos. Artilleristen verdedigden hun vuurmonden soms hardnekkig en de vuurmonden zelf vormden een obstakel voor de paarden. Ook boden vuurmonden een bepaalde mate van bescherming tegen aanvallende cavalerie, zodat gedekt verdedigend musketvuur kon worden afgegeven.

Twee op elkaar in volle galop chargerende vijandelijke cavalerie-formaties kwam in de praktijk nauwelijks voor. Vaak minderen beide formaties voor impact de snelheid of kwamen compleet tot stilstand, waarna het handgemeen begon. Maar nog vaker kwam het voor dat de ene partij (vaak uit psychologisch oogpunt of valstrik) rechtsomkeert maakte en de andere partij de achtervolging inzette. Om vervolgens weer in de flank van de formatie aangevallen en op de vlucht gejaagd te worden door een andere vijandelijke cavalerie-eenheid. Mits die natuurlijk niet eveneens in chaos was vervallen door de vluchtende eerste linie. Dit alles gebeurde vaak op enige afstand, voordat de cavalerie-formaties elkaar fysiek raakten.

Onderlinge charges gingen (als je elkaar überhaupt raakte) soms dwars door elkaar heen. De kunst was vanzelfsprekend om aan de achterzijde de eenheid weer in slagorde te krijgen en voor een tweede keer te chargeren, maar nu van de andere kant. Dit was echter niet eenvoudig, omdat vaak de doorgebroken cavalerie tegenover een tweede linie vijandelijke cavalerie of reserve infanterieformatie kwam te staan.

Indien een vijandelijke cavalerie charge op de eigen cavalerie aanstormde, was het devies: voorwaarts.

Indien een vijandelijke cavalerie charge op de eigen cavalerie aanstormde, was het devies: voorwaarts. Niets was erger dan een vijandelijke cavalerie-charge in stilstand ontvangen. Anderzijds speelde psychologie ook een belangrijke rol. Als de eigen superioriteit kon worden getoond door ijzig kalm in dichte ruiterformaties te wachten, brak de vijandelijke charge vaak al voordat hij de eigen linies bereikte. Maar dan moest er wel back-up zijn in de vorm van artillerie, flankerend musketvuur of eigen cavalerie-reserves. Psychologie speelde dan ook een belangrijke rol bij de inzet van de cavalerie. Soms weigerde cavalerie te chargeren, omdat ze de kansen op succes niet al te hoog inschatte. Dit leidde regelmatig tot krijgsraadzaken voor de leidende officieren of tot ontmanteling van de eenheid.

Cavalerie is echter moeilijker te hanteren dan infanterie of artillerie. Cavalerie kan immers alleen maar ingezet worden als het terrein geschikt is voor paarden en paarden zijn van nature vluchtdieren, en dus gevoelig voor lawaai, rook en ontploffingen. Er zijn bovendien diverse problemen met chargerende cavalerie. De eerste was kwetsbaarheid voor massaal musketvuur. Chargerende cavalerie was zeer kwetsbaar voor volley-vuur van infanterie. Met een op het laatste moment afgegeven gerichte volley uit honderden musketten kon immers tientallen paarden en ruiters worden geraakt. De voorste vallende paarden en ruiters veroorzaakten hindernissen voor de volgende niet geraakte paarden en ruiters en de charge ontaardde vaak in een chaos, waardoor er nog meer gemakkelijk te raken doelwitten voor de volgende linies schietende infanterie ontstonden. Zolang infanterie-eenheden de aanblik van aanstormende paarden en ruiters konden weerstaan en hun verband behielden, waren ze onkwetsbaar voor cavalerie. Cavalerie charges moesten dus op het juiste tijdstip worden ingezet. Namelijk op het moment dat vijandelijke infanterie (fysiek of psychologisch) gesleten was door artillerie inzet of door eigen infanterie volleys. Het beste moment was daarom het moment dat de vijandelijke infanterie brak. Een juist getimede cavalerie charge kon dan een (al gewonnen) veldslag veranderen in een slachting.

Het tweede probleem was de timing en het behoud van richting. Timing was erg belangrijk bij een bereden charge. Een goed uitgevoerde bereden charge hing in de beginfase vaak af van de stormdrang en agressiviteit van alle rangen: de vaak geroemde 'cavalerie-geest', maar een chargerende paardenmassa heeft een enorm momentum en is moeilijk in toom te houden of bij te draaien naar een andere richting. Alleen de best getrainde cavalerie-eenheden lukt het daarom al chargerend na de eerste impact ook nog georganiseerd in de diepte vijandelijke eenheden aan te vallen. Vaak kwam het voor dat de chargerende cavalerie al galopperend en woest schreeuwend ongecontroleerd het slagveld verliet in de vijandelijke richting om te laat of (helemaal niet meer) terug te keren, waardoor soms in de beslissende fase van de strijd de cavalerie niet tijdig aanwezig was. Deze oncontroleerbaarheid was de belangrijkste reden dat aanvankelijk in draf werd gechargeerd en niet in volle galop. Cavalerie was dan immers meerdere malen bruikbaar en niet slechts één keer.

Het derde probleem was behoud van verband. Het is niet eenvoudig om verband te houden in een linie of een formatie chargerende paarden. Vooral niet als er veel geschreeuw is, signaalhoorns schallen, enorme knallen hoorbaar en weinig zicht is door de vele rook van de kanonnen en musketten en er veel kleine slagveld hindernissen zijn, waardoor paarden aarzelen, schrikken, struikelen, vallen of in paniek raken. Veelal ontaarden cavalerie charges daardoor in een onoverzichtelijk handgemeen van groepjes paarden, ruiters en infanteristen die elkaar op leven en dood bevochten. En het behoud van verband is daarom de tweede reden dat cavalerie charges aanvankelijk in draf werden uitgevoerd. De paarden (en ruiters) zijn dan immers beter in toom te houden. De meest effectieve cavalerie leiders waren diegenen die hun cavalerie-eenheden na de impact snel wisten te verzamelen en opnieuw wisten in te zetten. Met andere woorden: niet één maal, maar gedurende de hele slag een rol van betekenis lieten spelen. Voorbeelden van dergelijke effectieve cavalerie-officieren waren Prins Ruprecht van de Palts, Johann Sporck, Gottfried Pappenheim, Hans Joachim van Zieten, Friederich Wilhelm von Seydlitz en Joachim Murat.

Poznan lanciers gaan voorwaarts in draf.

Ondanks haar tekortkomingen konden cavalerie acties toch nog beslissend zijn op het slagveld. Terwijl de infanterie gebonden was aan relatief statische formaties, kon de cavalerie namelijk gemakkelijker over het slagveld verplaatsen en vijandelijke infanterie chargeren, die 'gebroken' was door musket- en kanonvuur of zich nog in colonneformatie verplaatste. Alleen tijdens belegeringen zakte de rol van cavaleristen onder die van genisten, kanonniers en infanteristen. De cavalerie had geen rol in de daadwerkelijk belegering en moest zich beperken tot handhaving van de blokkade van de belegerde plaats of vesting, aanvoer van voorraden en dienen in het leger dat de belegering moest afschermen (beveiligen) tegen ontzettingstroepen.

Maar langzaam maar zeker nam de rol van cavalerie rol in de loop van de 18e eeuw af. Cavalerie was ongeveer drie keer zo duur als infanterie en vooral goede paarden waren moeilijk te verkrijgen. Cavalerie kan bovendien moeilijk gebruikt worden in onderbroken terrein en was kwetsbaar voor massaal musketvuur. Zowel in de slag bij Fontenoy als in de slag bij Minden werd de chargerende cavalerie van het slagveld verdreven door infanterie. Ook in de belangrijke slagen bij Poltava en Leuthen kon chargerende cavalerie geen potten breken en was de hoofdrol voor infanterie weggelegd.

De grootste cavalerie charge was tijdens de slag om Eylau toen de complete Franse reserve, bestaande uit 11.000 ruiters geleid door maarschalk Murat, in één massale beweging succesvol werd ingezet tegen de Russische infanterielinies. Het afnemende belang van chargerende cavalerie werd echter pijnlijk duidelijk toen, tijdens de slag bij Waterloo, herhaalde cavalerie charges van meer dan 9000 Franse ruiters, geleid door maarschalk Ney, niet leidden tot het breken van de Engelse en Nederlandse infanterie linies, die vierkante formaties hadden aangenomen. Sommige schrijvers stellen dat de blijvende waarde die in West-Europa desondanks aan cavalerie werd gegeven, vooral ingegeven werd door culturele factoren. Een bewijs van de centrale rol van aristocratie in Europese samenlevingen, gesymboliseerd door het paard als symbool van macht en gedistingeerdheid. Andere schrijvers stellen dat dezelfde aristocratische achtergrond tegelijk de oorzaak is van de moeizame veranderingen binnen de cavalerie. De drang naar behoud en elitaire statusbescherming van de aristocratie stond de noodzakelijke progressiviteit voor modernisering van de cavalerie in de weg.

Uhlanen voeren een charge uit op twee linies

Afsluiting

Hoewel het belang van de cavalerie aan het begin van de Eeuw van de Verlichting duidelijk ondergeschikt was aan die van de infanterie en de artillerie, nam haar belang tegen het einde van deze eeuw toch weer toe. Die had enerzijds te maken met de toegenomen effectiviteit en mobiliteit van de artillerie die gesloten infanterieformaties kon decimeren, waardoor cavalerie grotere kansen kreeg. Anderzijds had het langzaam stijgende belang van de cavalerie te maken met de langzaam stijgende schaal van oorlogvoering. Door de toegenomen organisatievermogen van staten namen oorlogen in omvang toe, zodat grotere legers te velde gebracht konden worden en bovendien in stand konden worden gehouden. Door de grotere schaal van oorlogvoering werden de theaters groter en nam het belang van beweeglijke cavalerie dus weer langzaam toe.

En daarom bleef cavalerie in de Eeuw van de Verlichting een belangrijke rol bij veldslagen en veldtochten spelen. Cavalerie geeft mobiliteit en mobiliteit is cruciaal voor strategische, logistieke en tactische redenen. Mobiliteit maakt het mogelijk om afstanden te overbruggen en om snel plaatselijk en tijdelijk gevechtsoverwicht (o.a. in getalssterkte) te krijgen. Ook kan met cavalerie een hoger gevechtstempo worden bereikt. Met andere woorden: met cavalerie kan een slag in een hoger tempo gevoerd worden dan met infanterie, zodat een slag een ander verloop krijgt dan als het uitsluitend met infanterie wordt gevoerd. Het belang van goede coördinatie tussen de infanterie, artillerie en cavalerie bleef (naast andere aspecten zoals terreinkeuze, moreel en getalssterkte) de sleutel tot goed veldheerschap. Bovendien moet opgemerkt worden dat cavalerie in niet-west Europese strijdtonelen een veel grotere belang bleef houden. De legers van de Ottomanen, Manchu-dynastie in China en de Mogols in India bleven dan ook relatief grote cavalerie contingenten houden.

'Scotland Forever'. Charge door de Royal Scots Greys op het slagveld van Waterloo.

Lessen voor nu

Ondanks de afstand in tijd en de technologische kloof, liggen er 'lessen' verborgen in de inzet van de cavalerie in de Eeuw van de Verlichting. De eerste les is gevechtsvelddiscipline. Cavalerie was geen ordeloze massa aanstormende paarden en schreeuwende ruiters. Alleen de meest gedisciplineerde (stille) en goed getrainde cavalerie-eenheden waren succesvol en konden na een eerste charge een tweede charge uitvoeren of een onverwachte kansrijke manoeuvre uitbuiten. Dit geldt ook nu nog. Hedendaags cavalerie-eenheden kunnen alleen succesvol zijn als ze gedisciplineerd zijn, hun drang naar actie in de hand weten te houden en vuuropening weten te bewaren tot het juiste, meest effectieve moment. Ook als we op termijn robot-tanks gaan inzetten. Ook dan moet zo'n robottank eenheid goed worden georganiseerd en in onderling verband optreden. Ook robots moeten gedisciplineerd worden.

De tweede les is timing en synchronisatie. Cavalerie inzet was alleen succesvol als een charge op het juiste moment en in samenhang met andere gevechtsveld effecten werd ingezet. Een doelwit van de cavalerie moest immers eerst 'zachter' gemaakt worden door de eigen artillerie of infanterie. En een cavalerie charge kon bijvoorbeeld weer nuttige tijd winnen om de eigen infanterie in de gelegenheid te stellen positie te kiezen en zichzelf in formatie op te stellen.

De derde les ligt in de inherente drang naar behoudendheid binnen de cavalerie. In vergelijking met bijvoorbeeld infanterie en artillerie, maar ook met andere wapens en dienstvakken heeft cavalerie meer moeite met veranderingen gehad. Dat kunnen we ons niet langer veroorloven. Cavalerie moet om relevant te blijven progressiever worden en verandering omarmen. De drang naar progressiviteit moet eigenlijk verankerd worden in de genen van cavaleristen. Een cavalerie-officier is niet alleen energiek, hij heeft ook durf en lef. Hij moet echter ook een criticaster worden en een verandergezant. Goed is niet goed genoeg meer. Wie stopt met beter worden, stopt met goed zijn.

De vierde les is mobiliteit. Het vermogen om snel gevechtskracht te verplaatsen op het gevechtsveld om bijvoorbeeld dreigingen tegen te gaan, maar ook om succes uit te buiten is essentieel. Niet alleen in de Eeuw van de Verlichting, maar ook vandaag en in de toekomst. En deze mobiliteit werd en wordt door cavalerie geleverd. Het vermogen om, in combinatie met bescherming en vuurkracht, zeer snel te verplaatsen blijft de sleutel tot succes op het gevechtsveld. Het maakt ongrijpbaar, onkwetsbaar en heeft ook een psychologische effect. Intimidatie van de tegenstander en psychologische stimulans van de eigen troepen. Daarom moet ook bij toekomstige cavalerie de mobiliteit optimaal blijven en mag deze niet ten onder gaan aan zwaardere bepantsering.

De vijfde les ligt in het cognitieve domein. Psychologie was een belangrijke factor op het slagveld van de Eeuw van de Verlichting en dat is nog steeds zo. Het bezit van de juiste cavaleriementaliteit, een juist 'Esprit-du-Corps' is nog steeds voorwaardelijk voor een cavalerie-eenheid om de zware lichamelijke en psychische omstandigheden van het gevechtsveld gezamenlijk te kunnen weerstaan. Het vermogen om onder druk rustig te blijven, elkaar moed in te spreken en gevaren tegemoet durven te treden. Of in 18e eeuws Nederlands: onbevreesd, onversaagd, stoutmoedig en vermetel.

Kolonel b.d. J.W. van den Wall Bake legde hierbij eens de link met de toegevoegde waarde van het paard. Hij schreef: 'Het paard heeft nog een andere betekenis, hetwelk niet door een ander middel kan worden vervangen. Dat is namelijk haar militair vormende waarde. Immers het paard dwingt zijn ruiter tot snelle reacties en initiatieven en vaak tot durf en de bereidheid risico's te nemen. Hierdoor kweekt het een geest welke wij zo graag aanduiden met cavaleriegeest'. Maar een nog toepasselijker quote is die van de Franse maarschalk Maurice de Saxe. En hiermee wil ik eindigen: 'Altogether, Cavalry operations are exceedingly difficult, knowledge of the country is absolutely necessary, and ability to comprehend the situation at a glance, and an audacious spirit, are everything'.