Cavalerie


Artikelen VOC

april 2017

Bron: VOC nr 1-2017


NEDERLANDSE CAVALERIE IN DUITSLAND 1961-2011


De stad Zeven: decennialang de standplaats van de Nederlandse brigade in Duitsland.

Van 121 Lichte Brigade tot 1 Duits-Nederlands Legerkorps

Luitenant-kolonel b.d. Bert Schoemaker en luitenant-kolonel b.d. Ed Westerhuis

VOC-historie
In 2011 opende de Historische Collectie Cavalerie een deelexpositie met als thema 'De Nederlandse Cavalerie in Duitsland 1961 - 2011'. De expositie was onder leiding van de toenmalige directeur mevrouw drs. M.P.A. Vermeulen tot stand gebracht en was van meet af aan een groot succes. Voor een ieder die als beroeps- of dienstplichtig militair in Duitsland geplaatst is geweest of daar tijdens zijn diensttijd voor (schiet)oefeningen is geweest, roepen de fotobeelden en attributen van deze tentoonstelling ongetwijfeld vele herinneringen op. Ook de redactie van de VOC Mededelingen besteedde in het kader van een halve eeuw cavalerie in de Bondsrepubliek, in een drietal afleveringen aandacht aan deze gebeurtenis. In de VOC-Mededelingen nummer 1, 2 en 3 van 2012 verschenen artikelen die achtereenvolgens een indruk gaven van de aanwezigheid van de cavalerie tijdens de Koude Oorlog op de Noord-Duitse Laagvlakte, de Nederlandse legerplaatsen, de oefenterreinen van Hohne en Münster, de jaarlijkse schietseries en ten slotte een impressie van het wonen en werken in Duitsland in de tweede helft van de vorige eeuw. De expositie is nog steeds te zien. Een aanrader.

Inleiding
Met de aanwezigheid van Nederlandse militairen in Duitsland werd in 2011 het vijftigste jaar bereikt. Vanaf 1961 tot de opheffing van de 41 Gemechaniseerde Brigade in 2006, waren Nederlandse eenheden (semi) permanent gelegerd in West-Duitsland, onder meer om tijdens de Koude Oorlog de verplaatsing van het gros van het Nederlandse Eerste Legerkorps naar het operatiegebied en de tijdige ontplooiing aldaar, mogelijk te maken. Na 1989 (na de val van de Muur) ontstond er een overgangssituatie ten gevolge van reducties van de in Duitsland gelegerde troepen. Sinds 2006 is er nog slechts sprake van permanente legering voor het Nederlandse personeel van de staf van het Eerste Duits-Nederlandse Legerkorps - 1(GE/NL) Lk - in Münster. Aan de (semi) permanente legering in Duitsland en/of de schiet- en tactische oefeningen aldaar, hebben vele (oud-) militairen en hun familieleden nog bijzondere herinneringen.

Duitsland en de Koude Oorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren onder meer de Verenigde Staten van Amerika, Engeland, Frankrijk en de Sovjet Unie bondgenoten in de strijd tegen Nazi-Duitsland. Kort na de capitulatie - tijdens de Conferentie van Potsdam in juli 1945 - werd door de bondgenoten bepaald dat het naoorlogse Duitsland zou worden bestuurd door een geallieerde controleraad. Het land werd verdeeld in 4 sectoren: het westen kwam onder beheer van de Verenigde Staten, Engeland en Frankrijk, het oosten zou worden beheerst door de Sovjet Unie. Berlijn - gelegen in de Russische sector - bleef de algemene hoofdstad en werd als stad ook in 4 sectoren opgedeeld.


Het IJzeren Gordijn in 1946 .

Als gevolg van de Tweede Wereldoorlog waren Frankrijk, Duitsland en Engeland als grootmachten in Europa wegvallen en was er een machtsvacuüm ontstaan. Dit was de basis voor een conflict tussen de wereldmachten Verenigde Staten en de Sovjet Unie: voor beide was het onacceptabel om Europa te laten domineren door de andere partij. Eind jaren veertig van de vorige eeuw brak een periode van spanning (gewapende vrede) aan tussen de Sovjet Unie en de Verenigde Staten: de Koude Oorlog. Door de toenemende spanning kwamen de twee wereldmachten lijnrecht tegenover elkaar te staan: Europa werd gesplitst in een communistisch oostelijk deel (beïnvloed/beheerst door de Sovjet Unie) en een kapitalistisch westelijk deel (beïnvloed door de Verenigde Staten). Duitsland - op de grens van deze twee werelden - werd opgedeeld in de Duitse Democratische Republiek (DDR - Oost-Duitsland) en de Bondsrepubliek Duitsland (BRD - West-Duitsland).

NAVO en Warschau Pact
Op 4 april 1949 werd in New York de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) opgericht: de Verenigde Staten, Canada en een tiental West-Europese landen (waaronder Nederland) maakten de afspraak tot gezamenlijk optreden als één van de lidstaten door een vijand zou worden aangevallen. Door Amerikaanse hulpprogramma's als de Marshall Hulp en het Mutual Defense Assistance Programme werd West Europa ondertussen in hoog tempo hersteld en opgebouwd. In 1955 trad West-Duitsland toe tot de NAVO. Als reactie op de herbewapening en het lidmaatschap van West-Duitsland van dit bondgenootschap, werd op 14 mei 1955 het Warschau Pact opgericht, een verbond tussen de Sovjet Unie en de communistische landen van Oost-Europa.


Op het hoogtepunt van de Koude Oorlog hebben de Sovjets 380.000 man gestationeerd in de DDR met 7.000 tanks.

Om de scheiding tussen Oost- en West-Europa aan te geven sprak de legendarische oud-premier van Groot-Brittannië Winston Churchill al in 1946 van een 'IJzeren Gordijn', dat was neergedaald in Midden Europa. De grens tussen Oost en West liep van de Oostzee tot de Adriatische zee. Het was een scheiding tussen twee maatschappelijke en politieke systemen. In Duitsland viel het IJzeren Gordijn samen met de grens tussen Oost- en West-Duitsland en werd daar aangeduid als de 'Innerdeutsche Grenze' (Duits - Duitse grens). Om te voorkomen dat nog meer Oost-Duitsers via West-Berlijn naar het Westen zouden vluchten, werd op 13 augustus 1961 begonnen met de bouw van een muur rond West-Berlijn. Op zeven plaatsen werden zwaarbewaakte doorgangsposten opengelaten. De meest bekende werd 'Checkpoint Charlie' in de Amerikaanse sector van de stad. Op het hoogtepunt van de Koude Oorlog beschikte de in de DDR gelegerde 'Group of Soviet Forces in Germany (GSFG)' over 380.000 man en 7.000 tanks. Met de val van de Berlijnse Muur in november 1989 kwam er een begin van ontspanning in de relatie tussen de Sovjet Unie en de Verenigde Staten en het Westen. Vanaf eind 1991 kwam er een proces op gang waarbij de Sovjet-Unie begon uiteen te vallen. Daarmee kwam er een einde aan de Koude Oorlog.

Operationele Opdracht
In eerste jaren direct na de Tweede Wereldoorlog waren voor de verdediging van West-Europa tegen de Sovjet-Unie slechts weinig troepen beschikbaar. Nederland was in de periode 1946-1950 genoodzaakt geweest veel van zijn troepen (totaal ca 130.000 man) in te zetten in Nederlands-Indië voor herstel van Orde en Vrede aldaar. Daarom kon de verdediging aanvankelijk niet verder naar het Oosten worden ingericht, dan achter de Rijn-IJssellinie. Na toetreding van West-Duitsland tot de NAVO in 1955, schuift de verdedigingslinie op naar het oosten. In het kader van de 'Forward Defence Strategy' werd de verdediging van het NAVO grondgebied zo ver mogelijk naar het oosten ingericht, uiteindelijk tot aan de Elbe bij de zogenoemde Innerdeutsche Grenze. Met name de wens van West-Duitsland om niet bij voorbaat West-Duits grondgebied prijs te geven, was reden voor het concept van deze 'voorwaartse verdediging'.

De eerste stap was op 1 juli 1958: de verdediging aan de Rijn-IJssel verschoof naar de lijn Weser-Fulda. Voorkomen moest worden dat de vijand achter deze lijn zou belanden. In 1963 werd de laatste stap in de richting van de 'voorwaartse verdediging' genomen: de verdedigingslijn viel toen nagenoeg samen met de Innerdeutsche Grenze. In NAVO-verband kreeg Nederland de opdracht om een gebied in de Noordduitse laagvlakte ten zuiden van Hamburg te verdedigingen. Deze opdracht diende uitgevoerd te worden door het Eerste Legerkorps ( 1 Lk). Het Nederlandse vak van verantwoordelijkheid bevond zich globaal tussen de rivieren Elbe en Weser. De verdediging diende te worden ingericht op de westelijke oever van het noord-zuid lopende Elbeseitenkanal en de rivier de Ilmenau. In het gebied oost hiervan, de Salzwedel Bogen, werd het voeren van het vertragend gevecht voorbereid. Grote steden in het vak waren o.m. Lüneburg en Uelzen.


Het operatiegebied van 1 (NL) Legerkorps in 1979 (afbeelding NIMH).

Legering in West-Duitsland
Tijdens de Koude Oorlog werd rekening gehouden met de mogelijkheid dat het Warschau Pact in staat was om (na een aantal laatste voorbereidingen) binnen 24 uur een aanval op het Westen te lanceren. Met name de in de DDR gelegerde 'Group of Soviet Forces' (20 divisies) vormde de grootste bedreiging. De parate troepen en de mobilisabele eenheden van het 1 (NL) Lk hadden een nader bepaalde waarschuwingstijd nodig om zich tijdig te kunnen mobiliseren, zich over een afstand van minimaal 350 kilometer naar het operatiegebied te verplaatsen en vervolgens zich aldaar te ontplooien en de verdediging in te richten. Om het risico zo beperkt mogelijk te houden, werden zo snel mogelijk eerst verkenningseenheden en enige versterkingen vooruitgestuurd die de opmars en de verplaatsingen van het Eerste Legerkorps konden beveiligen. Vanwege de risico's die verbonden waren aan de nadelige tijd/ruimte factoren voor het 1 (NL) Lk, werd er door de NAVO bij Nederland herhaaldelijk op aangedrongen legering van Nederlandse eenheden in Duitsland te realiseren. Begin jaren '60 werd aan dit verzoek voldaan.

121 Lichte Brigade
De bouw van de Muur en de spanningen rond Berlijn in 1961, vormden de directe aanleiding om in dat najaar de 121 Lichte Brigade naar Duitsland te verplaatsen en bij het NAVO schietterrein Bergen-Hohne te legeren. Omdat het nog geruime tijd zou duren voordat er huisvesting voor de gezinnen en andere voorzieningen zouden zijn gerealiseerd, rouleerden de eenheden van 121 Lichte Brigade. Afwisselend waren de eenheden een periode in Duitsland en een periode in Nederland (de z.g. semi-permanente legering).


Verplaatsing van de 121 Lichte Brigade naar West-Duitsland.

121 Lichte Brigade werd op 15 december 1960 opgericht en bestond uit 102 en 103 Verkenningsbataljon RHB. De brigade werd later versterkt met:
- 41 en 101 Tankbataljon RHPA
- een geniebataljon
- twee genie veldcompagnieën
- drie compagnieën commandotroepen
- een infanterie beveiligingscompagnie mobiel
- een groep lichte vliegtuigen
- een logistieke eenheid.

In januari 1963 werd de taak van de 121 Lichte Brigade overgenomen door de inmiddels geformeerde 41 Pantserbrigade. Vanaf 1963 werden eenheden van de Koninklijke Landmacht permanent in West-Duitsland gelegerd. De Nederlandse eenheden in Duitsland waren in de periode 1961 - 2006 gelegerd in drie kazernes. In volgorde van in gebruikneming: Legerplaats / Kamp Hohne, Legerplaats Seedorf en Legerplaats / Kazerne Langemannshof.

Legerplaats Hohne
Vrij kort nadat hij in Duitsland aan de macht kwam, besloot Hitler in 1935 tot de inrichting van een groot oefen- en schietterrein op de Lüneburger Heide in Niedersachsen. Aan de oostkant van dit terrein - bij het dorp Belsen - werd een grote kazerne gebouwd, 'Ostlager' genoemd. In deze accommodatie kon een complete divisie worden ondergebracht. Het oefenterrein werd in gebruik genomen voor het oefenen van de Duitse Panzertruppen. De kazerne telde rond 100 forse legerings- en stafgebouwen, 50 paardenstallen, 40 grote garages, een ziekeninrichting, depots en andere voorzieningen, zoals een grote werkplaats voor het vervaardigen van schietschijven ('Scheibenhof'). Op 4 mei 1936 betrokken de eerste Duitse eenheden hun onderkomens.

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog werd vanaf 15 april 1945 de enorme kazerne en het nabij gelegen grote oefen- en schietterrein door het Britse bezettingsleger in gebruik ingenomen. Al spoedig werden delen van de kazerne, het oefen- en schietterrein en andere accommodaties ook ter beschikking gesteld aan andere NAVO-eenheden. Toen in 1961 de Nederlandse 121 Lichte Brigade in Duitsland moest worden gelegerd, werd daarvoor ruimte beschikbaar gesteld in Kamp Hohne.


Het Nederlandse gedeelte van de Legerplaats Bergen-Hohne.

De situatie wijzigde in 1963 toen deze brigade werd opgeheven en haar taak werd overgenomen door de 41 Pantserbrigade. In Hohne werden toen onder meer 41 Tankbataljon, 41 Pantsergenie-compagnie, een (41) Technische Dienst herstel-detachement en een kazernecommando gelegerd.
Toen in 1992 het 43 Tankbataljon werd opgeheven en de Kazerne Langemannshof als legeringslocatie werd afgestoten, verhuisde de aldaar (ook) gelegerde 41 Pantserluchtdoelbatterij naar Kamp Hohne. In 1994, na de opheffing van onder meer 41 Tankbataljon, kwam een einde aan de permanente legering van Nederlandse eenheden in Kamp Hohne.

Legerplaats Seedorf
Op 17 januari 1963 tekenden de Bondsrepubliek Duitsland en Nederland een ruilovereenkomst voor wederzijds gebruik van de Nederlandse kazerne in Budel en de Duitse kazerne bij Seedorf. 41 Pantserbrigade - met enige toegevoegde eenheden - werd voor het grootste deel in de Kazerne / Legerplaats Seedorf gelegerd. In augustus 1963 betrok 103 Verkenningsbataljon als eerste Nederlandse eenheid deze kazerne. De 'Kaserne Seedorf' werd in de jaren 1956-1959 gebouwd op de plaats waar eerder een barakkenkamp van de Duitse Kriegsmarine was gevestigd. De kazerne was gebouwd volgens de maatstaven van de Bundeswehr voor een totale sterkte van 2500 man. Voor de huisvesting van het gros van de ca. 3500 man sterke 41 Pantserbrigade was deze dan ook te krap. Bovendien waren bijzondere voorzieningen nodig, omdat militairen en vele gezinnen de facto in Duitsland kwamen wonen. In het kader van de ruilovereenkomst moesten daarom veel afzonderlijke afspraken worden gemaakt voor nieuwbouw en andere infrastructurele aanpassingen.
De aanvullende voorzieningen onder meer op het gebied van woningen, ontspanning, educatie, sport, scholen, huisvesting, 'burgerlijke stand' enz., maakten dat de Nederlandse gemeenschap in vele opzichten als een zelfstandige enclave functioneerde binnen de Duitse gemeenschap.
In oktober 2006, na de opheffing van (inmiddels) 41 Gemechaniseerde brigade, werd de Legerplaats Seedorf weer overgedragen aan de Duitse overheid. De Legerplaats Budel - vanaf 1988 Nassau-Dietzkazerne geheten - was al in 2005 door de Duitsers weer in handen gesteld van Nederland.


Legerplaats Seedorf.

Kazerne Langemannshof
In 1970 werd besloten 43 Tankbataljon óók in Duitsland te legeren als tweede tankbataljon van de 41 Pantserbrigade. De voorkeur ging daarbij uit naar de directe omgeving van het schiet- en oefenterrein Bergen-Hohne, in de nabijheid van 41 Tankbataljon en de TD Hersteleenheid in het Kamp Hohne. Voor de legering van 43 Tankbataljon kon gebruik worden gemaakt van infrastructuur die in het Gemeindefreier Bezirk Osterheide in de Landkreis Soltau-Fallingbostel in aanbouw was ten behoeve van oefenende troepen. Wel moesten door de Nederlandse overheid aanvullende voorzieningen worden gerealiseerd zoals garages, onderofficierslegering, officiers- en onderofficiersmesses. In augustus 1973 werd 43 Tankbataljon verplaatst van de Legerplaats 't Harde naar de nieuwe kazerne Langemannshof. Daar werd toen tevens een klein kazernecommando geformeerd en in de kazerne werd ook een detachement Koninklijke Marechaussee gelegerd en voorts (in 1998) 41 Pantserluchtdoelartilleriebatterij. In eerste instantie verhuisden de gezinnen van de beroepsmilitairen nog niet mee, aangezien er (nog) niet voldoende woningen in Bergen beschikbaar waren. De nieuwe kazerne kreeg de naam Langemannshof, omdat deze werd gerealiseerd op de plaats waar een boerderij met deze naam had gestaan.
Hoewel de kazerne op het grondgebied van het Gemeindefreier Bezirk Osterheide ligt, werden lokaal nauwe contacten onderhouden met de naburige gemeente Wietzendorf en het stadje Bergen. Op 30 mei 1992 werd 43 Tankbataljon opgeheven, waarna de kazerne werd teruggegeven aan de Duitse overheid. De kazerne is inmiddels buiten gebruik en verhuurd aan een aantal civiele bedrijven.


Kazerne Langemannshof.

Demarcatielijn (Innerdeutsche Grenze)
Voor alle betrokken partijen was de grens tussen Oost en West tot 1989 duidelijk zichtbaar. Alle beroeps- en dienstplichtige militairen die in Duitsland werden gelegerd of er kwamen oefenen, werden kort na hun aankomst geconfronteerd met de demarcatielijn. Het maakte de spanningen van de Koude Oorlog voor een ieder voelbaar.

Met relatief eenvoudige middelen - prikkeldraad, waarnemingstorens, waarnemingsbunkers, mijnen, patrouillegang en honden - werd in 1952 de grens met West-Duitsland (BRD) door Oost-Duitsland (DDR) afgegrendeld. Na enige jaren begon men de versperring te verbeteren en werd de prikkeldraadafrastering vervangen door:
- een hoog hek van geperforeerd staalplaat
- automatische (geweer)schietinstallaties
- een controlestrook oost en west van de hekken van respectievelijk zes en tien meter breed die - regelmatig geploegd en geëgd werd (voetsporen)
- tussen de (twee) hekken een 'verbeterd' mijnenveld.

Aan de oostzijde van deze grens werd tevens een geul van ca. twee meter diep aangebracht en:
- een alarmsysteem
- verharde wegen voor controlevoertuigen
- lichtinstallaties
- kabels om honden over lagere afstand zonder fysieke begeleiding een strook te kunnen laten bewaken
- betere torens en bunkers


Innerdeutsche Grenze.

Bovendien kreeg de Oost-Duitse grensbewaking opdracht gericht te vuren op hen die wilden vluchten. Tussen West- en Oost-Duitsland was verkeer mogelijk - zij het strikt gecontroleerd - via:
- negen wegen
- acht spoorwegverbindingen
- twee waterwegen.

Na de Duitse eenwording werd de Muur volledig afgebroken. Slechts enkele borden herinneren nog aan de grimmige periode die Oost en West Duitsland scheidden als gevolg van de Koude Oorlog. Op 10 november 1989 om middernacht kwam een einde aan het bestaan van de Duitse Democratische Republiek.

Van 1 (NL) Lk naar 1 (GE/NL) Lk
In 1995 werd het Eerste Duits-Nederlandse Legerkorps 1(GE/NL) geformeerd. De vermindering van de omvang van de strijdkrachten in Nederland en Duitsland, maar ook de wens te komen tot verdergaande samenwerking in binationaal verband, lagen daaraan ten grondslag. In eerste instantie omvatte dit GE/NL legerkorps één Nederlandse divisie (1 Divisie '7 December') en een Duitse divisie, waarbij de legerkorpsstaf door beide landen werd bemand. De commandant werd beurtelings een Duitse of een Nederlandse generaal. De eerste commandant was luitenant-generaal R. Reitsma. Het 1(GE/NL) Legerkorps staat in crisis- en oorlogstijd onder bevel van de commandant Land Forces Central Europe en maakt onderdeel uit van de 'Main Defence Forces' van de NAVO. In vredestijd kunnen aan het legerkorps eenheden worden toegevoegd. Voor de Nederlanders in de staf in Münster is een Nederlands Commando opgericht, waarin specifieke ondersteunende taken/functies zijn ondergebracht. De Duits-Nederlandse staf van het GE/NL legerkorps werd ondergebracht in een gebouw aan de Hindenburgplatz in Münster (Duitsland). Het embleem van de binationale staf is gebaseerd op het zogenoemde Sendzwaard. Dit is het zwaard dat al 400 jaar lang wordt opgehangen aan de gevel van het stadhuis van Münster, bijv. bij feestelijke gelegenheden. Na het verdwijnen van de Nederlandse eenheden uit Seedorf, Hohne en Langemannshof is er anno 2012 nog steeds sprake van een substantiële, continue aanwezigheid van Nederlandse militairen in de Bondsrepubliek Duitsland.


Hindenburg Platz in Münster.

Oefen- en schietterreinen
Bij het oefenen door tank- en verkenningseenheden wordt in praktische zin een onderscheid gemaakt tussen schietoefeningen en tactische oefeningen. De ideale situatie is die waarbij de combinatie van beide zou kunnen worden beoefend. Het schieten met pantservoertuigen kent dermate veel vredes- en veiligheidsbeperkingen, dat dit alleen in specifiek daartoe bestemde gebieden mogelijk is. Als gevolg van de toeneming van het aantal gemechaniseerde (rups) en gemotoriseerde (wiel) eenheden in de Koninklijke Landmacht vanaf 1950 werd het tekort aan oefenterreinen en oefengelegenheid in Nederland steeds problematischer. Voor het tactisch oefenen door eskadrons en bataljons kon dit worden opgevangen door oefenterreinen te huren in het buitenland.


43 Tankbataljon tijdens oefening 'Rob Roy' in 1967.

Vanaf 1951 - al voordat Nederlandse eenheden in West-Duitsland werden gelegerd - maakte de Cavalerie gebruik van het schiet- en oefenterrein Bergen-Hohne. Dit terrein met een omvang van 28.500 hectare werd door de Duitsers in 1936 in gebruik genomen voor het oefenen van hun Panzertruppen. Na de Tweede Wereldoorlog komt het in Britse handen. Meerdere eenheden van bataljonsgrootte kunnen gelijktijdig geoefend kan worden. Wanneer het oefenterrein in gebruik is voor schietoefeningen kan het niet gelijktijdig gebruikt worden voor tactische oefeningen en omgekeerd.
In de loop der jaren breidde zich het aantal landen waar gebruik gemaakt kon worden van grotere en kleine oefenterreinen aanzienlijk uit, zoals België, Frankrijk, Denemarken, Noorwegen, Groot-Brittannië, Hongarije en Polen. Voor de Nederlandse eenheden blijft tot op heden het Major NATO Training Area Bergen-Hohne de primaire optie.

Andere oefenterreinen in West-Duitsland, waar Nederland regelmatig gebruik van maakt of heeft gemaakt zijn Sennelager (tot 1958 en na 1965), Garlstedt (voor eenheden van met name 41 Pantserbrigade), Münster-Süd en Münster-Nord (vanuit Bergen-Hohne bereikbaar via de Wietzendorf Corridor Route), Vogelsang (sinds 1960) en het in Zuid Duitsland gelegen Grafenwöhr.


B-eskadron 101 Tankbataljon tijdens oefening 'Griffin Enforcing' in 1998.

Oefenen buiten de oefenterreinen
Voor het kunnen houden van oefeningen op brigade- en hoger niveau waren de beschikbare oefenterreinen in Nederland in de periode van de Koude Oorlog, maar ook daarna, niet toereikend. Dit soort grote oefeningen vereiste dat de deelnemende eenheden op basis van realistische tijd/ruimte factoren konden worden geoefend. Dit gold ook voor het totale verbindingssysteem, de commandoposten van de eenheden, de gevechtssteun- en de vuursteun en het logistieke systeem. Voorts was het kunnen beoefenen van tactische verplaatsen, het concentreren van eenheden in verzamelgebieden, het ontplooien en het daadwerkelijk beoefenen van de diverse gevechtsvormen als de aanval of het vertragend gevecht door alle deelnemende manoeuvre- en ondersteunende eenheden op deze schaal erg belangrijk. Voor het houden van tactische oefeningen in Duitsland door grote eenheden (brigade/divisie/legerkorps) werd daarom mede gebruik gemaakt van gebieden buiten de oefenterreinen. Daarvoor werden steeds afspraken gemaakt met de Duitse overheid. Deze gaf binnen de kaders van de Duitse wet toestemming en zorgde voor berichtgeving enz. met betrekking tot de oefening. Bekende grootschalige oefeningen uit deze tijd zijn o.m. ´Big Ferro´, ´Saxon Drive´, ´Harte Faust´, ´Clover Fortune´, ´Atlantic Lion´, ´Certain Strike´ en ´Free Lion´. Om een indruk te geven van de omvang van deze oefeningen, aan de FTX (full troop exercise) Atlantic Lion in 1983 namen 44.000 militairen deel, van wie 33.000 Nederlanders. In het oefengebied zuid van Hannover - 20.000 km2 - werden 12.500 wielvoertuigen, 1.700 rupsvoertuigen en 145 helikopters ingezet.


Majoor Ebbink, S3-43 Tankbataljon tijdens de oefening Saxon Drive in 1978.


A-eskadron 43 Tankbataljon tijdens FTX Free Lion in 1988.

In tegenstelling tot in Nederland hoefde niet vóóraf met elke particulier in Duitsland toestemming voor het gebruik van zijn terrein te worden overeengekomen. Daarvoor konden vooraf afspraken worden gemaakt op het niveau 'Bundesland'. Voorafgaande aan de oefening werd de bevolking uitgebreid geïnformeerd over wat ging of kon gebeuren. Tijdens en na de oefening waren zogenoemde schadecommissarissen actief. Uitgangspunt daarbij was dat geleden schade snel en volstrekt correct werd afgehandeld. Voor het goed laten verlopen van de oefening was de oefenleiding met de oefenstaf en de scheidsrechters/hulpleidersorganisatie verantwoordelijk. Die hulpleidersorganisatie vergde op zich al een groot aantal militairen met voertuigen, verbindingsmiddelen en ondersteuning. Oefeningen op legerkorpsniveau trokken veel belangstelling. Voor het ontvangen en rondleiden van bezoekers (civiele, politieke en militaire autoriteiten) werd een aparte organisatie opgezet.


Rivierovergang bij de rivier de Hunte in 1967 door 43 Tankbataljon.


Amfibische oversteek van de Örtze door B-eskadron 103 Verkenningsbataljon in 1971.

NATO Truppenübungsplatz Bergen-Hohne
Het schiet- en oefenterrein Bergen-Hohne is het grootste in zijn soort in Europa. Op 1 april 1958 wordt het terrein door de Britten overgedragen aan de Bundeswehr en wordt het terrein aangewezen als Major NATO Training Area. Het terrein ligt ca. 40 kilometer ten noorden van Hannover en 60 kilometer ten zuiden van Hamburg. Aan de buitenrand van het terrein ligt een brede betonweg voor militaire voertuigen, de zogenoemde Panzerringstraße, met een lengte van 65 km. De belangrijkste functie van het terrein is het bieden van mogelijkheden voor schietoefeningen met diverse wapensystemen. Op het terrein zijn rondom 22 schietbanen gesitueerd voor het schieten met kanon/boordwapen en/of mitrailleurs van gevechtstanks, pantserinfanterievoertuigen en verkenningsvoertuigen. Negen van deze banen zijn ook geschikt voor het schieten met diverse typen antitankwapens. Verder zijn er 14 stellinggebieden voor het schieten met artilleriestukken. Zes van deze gebieden liggen buiten de grenzen van het schiet- en oefenterrein. Daarnaast zijn er nog handvuurwapen-, handgranaat- en mitrailleurschietbanen en schietbanen voor mortieren. De hoofdschootsrichting van alle wapens is globaal gericht naar het middengedeelte van het terrein, waardoor de bijbehorende onveilige sectoren de grootst mogelijke diepte hebben.

Tenslotte zijn er voorzieningen zoals bivakplaatsen, munitiedepots en spuitplaatsen voor de voertuigen, mogelijkheden voor het beoefenen van luchtverdediging, het optreden in oefendorpen en diepwaden of amfibische oversteek. In bepaalde perioden en tijdens de weekends van schietseries kan het terrein ook worden gebruikt voor tactische oefeningen. In de weekends werd regelmatig door 41 en 43 Tankbataljon gebruik gemaakt van deze oefengelegenheid (vrijdagmiddag tot zondagavond). In de weekends van Nederlandse schietseries wordt heden ten dage ook door in Nederland gelegerde eenheden nog veelvuldig van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.


Oefening 'Korte Teugel' op het oefenterrein Münster-Nord door het A-eskadron 41 Tankbataljon in 1982.

Oefenterrein Münster
Niet ver van het schiet- en oefenterrein Bergen-Hohne liggen de oefenterreinen Münster-Nord en Münster-Süd. Deze werden met een Panzerstraße in de jaren 1970-1975 met elkaar en met het oefenterrein Bergen-Hohne verbonden, de zgn. Wietzendorf Corridor Route. Münster is het grootste Duitse garnizoen. Daar zijn onder meer de Kampftruppenschule 2 en 3 ondergebracht.
Panzerlehrbrigade 9 - waarmee 41 en 43 Tankbataljon nauwe contacten onderhielden - behoorde tot de Kampftruppenschule 2. Nederlandse kerninstructeurs voor de Leopard 1 en Leopard 2, volgden op de Panzertruppenschule in Münster een omscholingscursus. Van de oefenterreinen Münster-Süd en Münster-Nord werd met name door 43 en 41 Tankbataljon veel gebruik gemaakt ten behoeve van tactische oefeningen op eskadronsniveau en schietoefeningen met mitrailleurs.


De Wietzendorf Corridor Route tussen Langemannshof en Münster-Süd.

Schietopleiding tanks
De mogelijkheden voor het schieten met tanks en een aantal andere zware wapens zijn in Nederland beperkt en na het sluiten in 2004 van het Cavalerie Schietkamp (CSK) op Vlieland voor tanks, zelfs nihil. De schietopleiding voor tanks gold zowel voor de tanks van de tankbataljons als voor de tanks bij de verkenningseskadrons en verkenningsbataljons. In de eerste jaren werden de oefeningen in hoofdzaak geschoten vanuit een stilstaande tank, later met één rijdende tank op de gevechtsbaan enkele tank ('Einzelpanzer'), vervolgens met twee tanks (´Doppelpanzer´ door een tanksectie) en daarna als gevechtsschietoefeningen met een heel peloton (´Battle Run´ met vijf en later vier tanks). In de loop der jaren zijn de kwaliteiten van de wapensystemen Leopard 1 en 1V, Leopard 2A4, 2A5 en 2A6 waarmee in Bergen-Hohne werd geschoten, aanzienlijk verbeterd. Het opleidingsniveau werd vooral verbeterd door gebruik van de diverse onderwijsleermiddelen als bedieningssimulator, de video-oefenuitrusting en de pelotonsvuurleidingstrainer. De eisen die op basis van kennis en kunde werden gesteld aan waarneming en doelonderkenning, vuurleiding, snelheid van vuuropening en richtnauwkeurigheid onder diverse zicht- en lichtomstandigheden, konden mede om die reden sterk verhoogd worden.

De tankschietoefeningen met scherpe munitie kenden een opbouw in perioden (schietseries) met toenemende moeilijkheidsgraad. Er waren oefeningen voor:
- schooleskadrons (CSK Vlieland en later ook Bergen-Hohne)
- jongste parate lichting (1e maal Bergen-Hohne)
- oudere/oudste parate lichting (2e maal Bergen-Hohne).

Zowel bij de jongste als de oudste parate lichting was de oefeningsopbouw :
- elementaire en voortgezette stationaire oefeningen vanaf de 'betonplaat'
- gevechtsschietoefeningen voor enkele tank, voor tanksectie ( 2 tanks) en tankpeloton ( 5 en later 4 tanks).
In 1982 verschoot een dienstplichtige tankbemanning bij 41 Tankbataljon tijdens het jaarprogramma voor de eerste oefening, gemiddeld 100 granaten 105 mm en 4750 patronen 7.62 mm voor de coax- en torendakmitrailleur.


Avondschieten op baan 6 in 1982.

Vanaf 1983 - met de invoering van de Leopard-1V en Leopard-2A4 ging het na de afronding van de elementaire oefeningen in hoofdzaak om het in pelotonsverband (4 tanks) uitvoeren van diverse gevechtsschietoefeningen, waarbij zowel stilstaand als rijdend, het uitschakelen van een diversiteit aan soorten doelen op diverse afstanden, bij dag en verminderd zicht, werd beoefend.
Als basis hiervoor gold een 'tactische' opdracht (scenario) voor het peloton, waarbij:
- in een bepaald tijd / ruimte frame
- onder diverse (terrein en zicht) omstandigheden,
- in ontplooide formatie optredend ('op linie')
- in voorwaartse en/of achterwaartse bewegingen (sprongsgewijs)
- zowel vanuit als tussen meerdere vuuropstellingen
- zowel stilstaande als bewegende (soorten) doelen op diverse afstanden
- binnen gestelde tijdseisen uitgeschakeld dienden te worden.

Voor deze pelotonsgevechtsschietoefeningen (´Battle Run´) werden bij voorkeur de schietbanen 6 en 9 in Bergen-Hohne gebruikt. Bij Grafenwöhr in Zuid-Duitsland bevinden zich ook een aantal grote tankschietbanen, waar in het verleden enige keren de tankschietwedstrijden om de Canadian Army Trophy (CAT) zijn gehouden.


Een peloton van 43 Tankbataljon maakt zich in 1977 gereed voor een Battle Run op baan 9.

Cavaleriewedstrijden
De schietoefeningen van de tank- en verkenningseenheden van de Nederlandse Cavalerie werden - en worden voor de verkenningseenheden nog steeds - voornamelijk gehouden op het NATO schietterrein Bergen-Hohne tijdens de ´Schiet- en Oefenperioden Bergen (SOB), in de volksmond beter bekend als ´schietseries´. Zo mogelijk werden er in het recente verleden jaarlijks wedstrijden gehouden m.b.t. het tankschieten en het tactisch optreden voor de tankpelotons van de tankeskadrons. Na de invoering van de Leopard-1 en Leopard-2, werd er somtijds voor het tankschieten ook deelgenomen door de tanks van de verkenningseskadrons van de verkenningsbataljons. De deelnemers waren door loting aangewezen tanks, tanksecties en later pelotons van de deelnemende eenheden. Na invoering van het zgn. Onderdeels Aanvullingssysteem (ONDAS) i.p.v. het Individueel Aanvullingssysteem (INDAS), werd de ouderdom van de dienstplichtige lichting bepalend voor de vraag of het eskadron reeds het niveau van deelneming had. Dat gold voor zowel de schietvaardigheid als de tactische test. Voor deze testen en wedstrijden werden wisselprijzen beschikbaar gesteld.

Tankschieten (eskadronsbeker)
BULT FRANCIS CUP ( v.a. 1956 )

voor tks / tksie / tkpel
(per deelnemend esk)
Tankschieten (bataljonsbeker)
LUITENANT - GENERAAL GITZBEKER ( v.a. 1976 )

voor 2x een peloton
(van twee esks per bat)
Tactisch optreden (eskadronsbeker)
WAPENOUDSTE CAVALERIEBEKER (v.a. 1987 )

voor een peloton
(per deelnemend esk)
Tankschieten + tactisch optreden (eskadronsbeker)
BERGEN OP ZOOMBEKER ( v.a. 1978 )

voor 2x een peloton (per deelnemend esk)


Wedstrijden om de Canadian Army Trophy in Grafenwöhr in 1981.

Canadian Army Trophy
De 'Canadian Army Trophy' werd in 1963 door de Canadese regering aangeboden als prijs voor de NAVO tankschietwedstrijden. Onderlinge samenwerking, teamwork en verhoging van het prestatieniveau binnen de NAVO tankeenheden waren de doelstellingen. De tweejaarlijkse wedstrijd werd gehouden tussen tanks en later tankpelotons van deelnemende eskadrons/bataljons van de NAVO lidstaten, die troepen gelegerd hadden in Centraal Europa. In de eerste jaren was het een wedstrijd tussen landen, later tussen twee legergroepen: NORTHAG (Northern Army Group - Nederland, Engeland, België, Duitsland) en CENTAG (Central Army Group - Canada, USA, Duitsland). De CAT ging naar het hoogst scorende land en later naar NORTHAG of CENTAG. In die laatste opzet was er ook een prijs voor het best scorende peloton 'overall'.

In 1987 en in 1989 werd de Canadian Army Trophy, voor wat betreft het beste tankpeloton, door Nederland gewonnen: de 'tankers' van 43 Tankbataljon, respectievelijk 41 Tankbataljon waren de concurrerende teams van de andere deelnemende landen de baas. De prijs voor het hoogst scorende peloton 'overall' werd in die jaren door Nederlandse (dienstplichtige) 'tankers', uitgerust met de Leopard 2A4, gewonnen. In 1991 werd de laatste wedstrijd om de CAT gehouden. Bezuinigingen en dientengevolge troepenreducties, hadden ook op dat gebied hun gevolgen.


De Nederlandse 'Siedlung' in Bergen, kort na de oplevering in de zomer van 1970.

Wonen in Duitsland
Circa 30% van de Nederlandse militairen in Duitsland tijdens de Koude Oorlog was beroeps en daar geplaatst voor drie tot vijf jaar. Ongehuwde beroepsmilitairen woonden 'op de kazerne' waar zij een kamer hadden. Het wonen op de kazerne had voor deze groep militairen het voordeel dat zij gebruik konden maken van de vele voorzieningen op recreatief, sport- en studiegebied, die voor het overgrote deel op loopafstand aanwezig waren. De gehuwde beroepsmilitairen die met hun gezin naar Duitsland kwamen, woonden 'buiten de kazerne'. Dat kon in een Nederlandse wijk (de 'Siedlung') zijn of tussen de Duitsers. Aan beide woonvormen waren voor- en nadelen verbonden. Belangrijk voor velen was, dat de actieve bemoeienis van het Commando Nederlandse Troepen Seedorf - Hohne - Langemannshof met de huisvesting, de problematiek van het vinden van een woning vergemakkelijkte.

Voor de gezinnen die mee verhuisden moesten voorzieningen worden getroffen in de (naaste omgeving van de) 'Siedlung'. Dit betrof onder meer voorzieningen in de sfeer van burgerlijke stand, een basis- en middelbare school, geneeskundige verzorging, voorzieningen op het gebied van sport en ontspanning en een winkel met specifieke Nederlandse producten. Een aantal van deze voorzieningen was mede bestemd voor de dienstplichtigen, die ongeveer één jaar, later zes tot negen maanden, in Duitsland verbleven.

Doordat zij verhuisden naar Duitsland kregen beroepsmilitairen ook enige belastingfaciliteiten. De belangrijkste daarvan waren de mogelijkheid tot aanschaf van een belastingvrije auto en een maandrantsoen met een aantal liters belastingvrije benzine/diesel. Tezamen met een maandelijkse financiële buitenlandtoelage stimuleerde dit de bereidheid om vrijwillig in Duitsland te worden geplaatst. Een vrij groot aantal beroepsmilitairen wilde zijn plaatsing verlengen of herhalen. Dat werd soms afgewezen, omdat in het kader van de loopbaanplanning bepaalde functies in Nederland moesten worden vervuld. De bereidheid om langer in Duitsland te blijven of daarnaar terug te keren, gaf aan dat men het daar, om welke reden dan ook, naar zijn zin had. Belangrijke redenen daarvoor konden zijn de financiële voordelen van deze plaatsing, de sfeer en kameraadschap in de eenheid, de onderlinge samenhang in de Nederlandse gemeenschap, contacten met de Duitse bevolking en het zich 'happy' voelen in de Duitse samenleving (in enkele gevallen met een Duitse echtgenote).


De officiersmess WB 19 in Bergen-Hohne.

Dienstplichtigen in Duitsland
Nederland had in de jaren van de Koude Oorlog, net als een aantal andere NAVO-landen, een kader-militieleger. Eind jaren zeventig van de vorige eeuw had de Koninklijke Landmacht een gemiddelde parate sterkte van 80.000 man. Na een volledige mobilisatie beschikten de landstrijdkrachten over meer dan 175.000 man en tien manoeuvrebrigades. De cavalerie bestaat in die jaren uit twaalf tankbataljons en vier verkenningsbataljons met in totaal bijna 1000 gevechtstanks. De dienstplichtigen maakten 70 % van de Koninklijke Landmacht uit.

Na een basisopleiding in Nederland werden dienstplichtigen voor ongeveer één jaar in Duitsland bij een parate eenheid geplaatst. Na herhaalde verkortingen van de duur van de dienstplicht, de zgn. eerste oefening, was de parate periode in de negentiger jaren afgenomen tot slechts zes maanden. Ten opzichte van de beroepsmilitairen - die gemiddeld voor drie jaar in Duitsland waren gelegerd - rouleerden de lichtingen dienstplichtigen dus vrij snel. Dit hield in dat er binnen de eenheden, m.n. op het eskadronsniveau, veelvuldig geoefend moest worden om het vereiste niveau in een steeds kortere tijd te behalen. Met elke nieuwe lichting dienstplichtigen begon weer een nieuwe oefencyclus van zgn. bouwsteenoefeningen. Doordat men ook na de dienst en in de weekeinden samenleefde en gemeenschappelijke activiteiten ontplooide, ontstond een grote saamhorigheid en kameraadschap binnen de eenheden. Hoewel de dienstplichtigen niet naar Duitsland verhuisden als ze daar voor een jaar of korter werden geplaatst, hadden zij toch vaak de ervaring van 'wonen' in Duitsland, doordat zij vijf van elke acht weekeinden op de kazerne verbleven. Voor de dienstplichtigen - maar ook voor ongehuwde beroepsmilitairen die op de kazerne woonden - werd bijzonder veel georganiseerd op het gebied van sport, ontwikkeling en ontspanning. Dit - samen met de zelf ontplooide initiatieven - maakte dat men zich niet hoefde te vervelen. Aan de tijd in Duitsland bewaarde men vaak goede herinneringen. Een relatief groot aantal dienstplichtigen wilde daarom ook nadienen tijdens de 'klein verlofperiode' en tekende bij.


Ouderweekend in Hohne.

Patenschaften
Tussen Duitse en Nederlandse bataljons en/of zelfstandige eskadrons werden vrijwel steeds op initiatief van Duitse eenheden zogenoemde Patenschaften aangegaan. De betekenis van een Patenschaft ligt in het verlenen van wederzijdse hulp. De Patenschaften droegen bij aan het op een soepele wijze kunnen oefenen in het samenwerken in internationaal verband. Een Patenschaft tussen twee eenheden was meestal ook aanleiding voor nauwere samenwerking bij zaken die niet direct in de operationele sfeer lagen, zoals open dagen, sportontmoetingen, uitnodigingen voor feesten, jubilea enz. Enkele voorbeelden van Patenschaften:

Nederlandse eenheden
103 Verkenningsbataljon
41 Tankbataljon
43 Tankbataljon
Duitse eenheden
Panzerauklärungsbataillon 3
Panzerlehrbataillon 94
Panzerbataillon 333

De samenwerking (Patenschaft) met Duitse eenheden leidde ook tot wederzijdse deelneming aan sportactiviteiten. Een aantal ervan werd beloond met een medaille, bijv. de Vierdaagse medaille of een embleem. De verworven 'onderscheidingen' werden door velen op het uniform gedragen, óók toen dit (nog) niet geautoriseerd of toegestaan was. Sommige medailles (b.v. voor wandelevenementen) droeg men met een zekere vanzelfsprekendheid niet. Een aantal van de Duitse 'sportinsignes' werd later onder bepaalde voorwaarden toegestaan om te dragen. Voorbeelden daarvan zijn het Schützenschnur, de Duitse parachutistenwing en het Duitse Sportabzeichen. In feite waren dit uiterlijke kentekens waaruit bleek dat men in de Bondsrepubliek Duitsland was geplaatst en daar actief was. Dat wilde men graag laten zien.


Seedorf 1986. Twintig jaar Patenschaft tussen 103 Verkenningsbataljon en PanzerAufklärungsBatallion 3.

Paraatheidsregeling
Tot 1 augustus 1990 gold voor de Nederlandse troepen in Duitsland een specifieke paraatheids regeling. Dat betekende dat in de weekeinden paraatheidsappèls (aanwezigheidscontroles) werden afgenomen. De verlofregeling was afgestemd op deze paraatheidsregeling. Per acht weken had men een lang verlof en een kort verlof. Het lange verlof duurde tien en een halve dag, reistijden van en naar Nederland en zaterdagen en zondagen inbegrepen. Het korte verlof duurde vier en een halve dag (idem). De paraatheidsregeling gold ook voor feestdagen zoals Kerstmis. Steeds moest minimaal 50% van de troepen 'binnen' zijn. In crisisperioden - bijvoorbeeld tijdens de Berlijncrisis in 1961 - werden de paraatheidseisen verscherpt en de voertuigen beladen. De eenheden waren gereed om te verplaatsen naar een afwachtingsgebied.

Scholen in Zeven en Bergen
Voor beroepspersoneel dat vanwege zijn plaatsing in Seedorf, Hohne of Langemannshof het recht had zijn gezin over te laten komen naar Duitsland, waren er Nederlandse scholen gevestigd in Zeven (bij Seedorf) en Bergen (bij Hohne en Langemannshof). Het beroepspersoneel, dat géén gebruik kon of wilde maken van deze scholen, moest voor het onderwijs van zijn kinderen zelf oplossingen vinden. In Zeven was de 'Nederlandse Rijksschool voor Basisonderwijs' gevestigd. Deze school droeg de naam Oranje-Nassauschool. Verder bestond daar de mogelijkheid voor het volgen van voortgezet onderwijs in de Prins Willem Alexanderschool. Deze school leidde op voor diploma MAVO-4, twee jaar LBO en derde klas HAVO en/of Atheneum. In Bergen was de mogelijkheid om op de Prinses Christina school basisonderwijs te volgen en beperkt voortgezet onderwijs op de 'Rijksschool voor Voortgezet Onderwijs' (met vier leraren). Het onderwijs stond onder controle van een Nederlandse Inspecteur van Onderwijs. Met name het voortgezet onderwijs behaalde door diverse oorzaken, ondanks de goede inzet van de leerkrachten, niet het niveau van de scholen in Nederland. Ten opzichte van scholen in Nederland blonken de scholen in Zeven en Bergen wel uit door onderlinge saamhorigheid van docenten, leerlingen, ouders en overigen in de Nederlandse gemeenschap, door veel buitenschoolse activiteiten en door goede cijfers voor Duits.


Sinterklaas bezoekt de Prinses Christinaschool in Bergen.

Er op uit ('Stappen')
Door de paraatheidsappèls waren de mogelijkheden voor toeristische uitstapjes beperkt. Daarbij was men door de faciliteiten op de kazerne vaak minder geneigd om er op uit te trekken. Toch hebben velen, vooral de beroepsmilitairen, heel wat van Neder-Saksen en omgeving gezien. Voor de dienstplichtigen werden door de Dienst Welzijnszorg (WZZ) excursies georganiseerd, bijvoorbeeld naar de wereldkampioenschappen schaatsen in het Ulevi stadion in Göteborg (Zweden), naar de Harz om te skiën en naar Hamburg (musea?). Een deel van de dienstplichtigen trok er ook op uit in de weekeinden om te kijken of er in de 'horeca' in de omgeving nog aardig gezelschap was te vinden. Door commandanten werden initiatieven ontplooid die vaak een meer educatief karakter hadden, zoals een bezoek aan de Gedenkstätte van het voormalige concentratiekamp Bergen-Belsen, een excursie naar de Innerdeutsche Grenze of vissen op de Oostzee. Een bezoek aan de Innerdeutsche Grenze maakte bij vele eenheden en ook bij families in Duitsland onderdeel uit van het programma 'Wat men gezien moest hebben'. Vanuit speciale observatiepunten zoals bij Zicherie, kon men kennis nemen van het beklemmende 1381 kilometer lange spergebied waarmee Oost-Duitsland het contact tussen West- en Oost-Duitsland onmogelijk had gemaakt. Voor velen was dit een bevestiging van de noodzaak voor een goede defensie in het Vrije Westen van Europa.


A-eskadron 41 Tankbataljon gaat vissen op de Oostzee. Zomer 1982.

Lief en Leed
Binnen de eenheden en de Nederlandse gemeenschap bestond een grote onderlinge saamhorigheid. Dat betekende dat - meer dan in Nederland - aandacht werd besteed aan 'Lief en Leed', zoals bevorderingen, ziekte, overlijden, geboorten, huwelijk, jubilea, pensionering, enz. In de periode waarin Nederlandse militairen in Duitsland waren gelegerd, zijn relatief veel verkeersongelukken gebeurd met dodelijke slachtoffers. Voorafgaand aan de verlofreizen van de dienstplichtigen (en bij 'het stappen') werden veelvuldig de risico's bij het autorijden benadrukt. Er werd vaak gecontroleerd op het gebruik van alcohol. De tankbaan om het oefenterrein Bergen-Hohne en verkeerswegen als de B-3, waren erkend gevaarlijke routes. 's Winters was de tankbaan berucht om het overstekend groot wild. Het verkeersgevaar was mede reden voor het zorg dragen voor voldoende ontspanning in de kazernes.

Sport, ontwikkeling en ontspanning
Voor de militairen en hun gezinnen werd zowel door de militaire leiding als de WZZ veel georganiseerd op de gebieden van sport, ontwikkeling en ontspanning. Maar ook de militairen en burgers van de Nederlandse gemeenschap ontplooiden daarvoor in verenigingsverband en individueel talloze initiatieven. Een greep uit het palet aan mogelijkheden, dat werd geboden:

Zeven-Seedorf
ruitersportvereniging
onderwatersportvereniging
voetbalvereniging
schermvereniging
badmintonvereniging
vliegclub Motorvliegen
vliegclub Zweefvliegen
hengelsportvereniging
gymgroepen meisjes
gymgroepen dames
tamboer- majorettekorps
diverse activiteiten door de messes/kantines
kegelclubs
schietvereniging
jeugdjudo
tennisvereniging
biljartclub
parachutistenclub
zeilcentrum
zwemmen
kinderzwemcursus
bridgecursus
films en excursies


Het Dorniervliegtuig van de Nederlandse paraclub op airstrip Hodenhagen.

Bergen-Hohne-Langemannshof
parachutespringen
paardrijden
gymnastiek dame
films en excursies
diverse activiteiten door de messes/kantines
karting
hengelsportvereniging
badminton
watersportcentrum


Specifieke sportevenementen
Behalve de vele interne sportieve evenementen, zoals sportdagen, voetbalwedstrijden, crosses en andere hardloopwedstrijden, volleybalcompetities en dergelijke, werd ook een aantal sportieve evenementen georganiseerd, waaraan deel kon worden genomen door niet-Nederlanders. De twee meest aansprekende evenementen daarvan waren de Avondvierdaagsen in Zeven en Bergen en de 65 km lange Langemannshofmars over de Panzerringstraße die om het oefenterrein Bergen-Hohne heen liep. Ook de zomeravondvoetbalcompetitie tussen de Nederlanders, de Engelsen en de Duitsers in Hohne mocht zich in een grote populariteit verheugen.


Watersportvereniging 'De Vliegende Hollander' bij de Hüttensee te Meissendorf.

Belastingfaciliteiten
Degenen die vielen onder het Commando Nederlandse Troepen Seedorf - Hohne - Langemannshof (SHL) hadden overeenkomstig het personeel van Buitenlandse Zaken in de BRD, ook belasting vrijstellingen. Daarbij werd onderscheid gemaakt op basis van wonen in Duitsland (verhuisd zijn) en de duur van het verblijf in Duitsland. De meest interessante vrijstellingen lagen in de sfeer van bijzondere belasting, bijvoorbeeld op alcohol, tabak, brandstof voor motorvoertuigen en deze voertuigen zelf. Behalve die op alcohol en tabak, waren deze vrijstellingen alleen van toepassing voor degenen die in Duitsland woonden. Vrijstelling van BTW was in de praktijk alleen van toepassing op artikelen die werden verkocht in de Welzijnszorg-winkels, zoals elektrische apparaten.


Kartclub Hohne in 1971.

Douane
Nu we vertrouwd zijn met de open grenzen in de Europese Unie kunnen we ons nauwelijks meer voorstellen hoe het tot 2002 was op het gebied van in- en uitvoer van goederen, de verzending van post en grenspassages. Enkele voorbeelden hoe het was. Een militair die op oefening was geweest in Duitsland mocht zonder vergunning en zonder invoerrechten naar Nederland meenemen: 100 sigaretten of 20 sigaren of 125 gram tabak, één liter wijn, een flesje parfum van maximaal 25 gram, speelgoed, souvenirs, textiel enz. tot een totale waarde van ƒ 45,- (circa € 20,-), 0,25 liter eau de cologne, 0,25 liter toiletwater en één liter gedistilleerd. Gehele vrijstelling van invoerrechten werd verleend voor goederen die naar het oordeel van de (douane)ambtenaar - de welstand van de reizigers in aanmerking genomen - kennelijk bestemd waren voor persoonlijk gebruik van de reiziger. Brieven met een aan douanerechten onderhevige inhoud en pakjes moesten aan de adreszijde zijn voorzien van een nauwkeurig ingevuld douane-etiket en vergezeld gaan van een douaneverklaring, bijvoorbeeld 600 gram chocoladewaren.
Militaire colonnes die naar Nederland terugkeerden van oefeningen in de BRD werden incidenteel door de douane opgewacht op hun kazerne of op het station en na aankomst van de tanktrein volledig 'uitgekleed'. Militaire wielvoertuigen, al of niet in colonneverband, werden doorgaans aangewezen voor steekproefcontroles bij de grenspost, waarbij de rest van de eenheid kon doorrijden.

Voor velen waren - de naar hun oordeel bekrompen - regels reden om een sport te maken van het op een 'bescheiden' manier smokkelen. Dit werd ook bevorderd, doordat bijvoorbeeld het rantsoen belastingvrije rookwaren aanmerkelijk groter was dan men zelf oprookte. Er werden dus sigaretten of sigaren meegenomen voor de familie thuis.


Taxfree winkelen in de NAAFI shop Bergen-Hohne.

Vaarwel 'Tweede Heimat'
De opheffing van eenheden bij de Koninklijke Landmacht is al sinds het begin van de jaren 90 van de vorige eeuw bijna een politieke vanzelfsprekendheid, met alles wat daarbij komt als consequentie voor de militairen, zoals het veranderen van eenheid en het krijgen van een nieuwe standplaats. Voor de in Duitsland gelegerde eenheden kwam daarbij, dat vrijwel iedereen moest terugverhuizen naar Nederland. Dat betekende afscheid nemen van een eenheid, de omgeving, de samenleving en een land waarmee men vaak meer dan vertrouwd was geraakt, een tweede 'Heimat'. In het bijzonder de onderofficieren en het burgerpersoneel hadden vele contacten in het Duitse verenigingsleven, bij Schützenfesten, sportontmoetingen enz. Dit kwam mede doordat zij vaak langere tijd dan de officieren in Duitsland hadden doorgebracht. Vaarwel moest ook worden gezegd tegen veel dat in de afgelopen decennia was opgebouwd, zoals de vele clubs, verenigingen, traditionele activiteiten, scholen enz. Ook de Duitse gemeenschappen in de omgeving van Langemannshof, Hohne en Seedorf zagen de Nederlanders met lede ogen vertrekken en dat was niet alleen omdat deze een beduidende economische factor waren in de regio's. Het afscheid van Langemannshof en Bergen-Hohne had een relatief bescheiden karakter en was toegesneden op de directe omgeving. 41 Tankbataljon hield een afscheidsparade met alle tanks door de stad Bergen en een receptie. In Seedorf werd de afsluiting van de legeringperiode van Nederlandse eenheden in Duitsland gestalte gegeven met de aanwezigheid van de Duitse en Nederlandse Ministers van Defensie, militair eerbetoon en de uitwisseling van aandenkens. Daarin hadden ook civiele autoriteiten, het verenigingsleven en de bevolking een aandeel. De 'kazerne Seedorf' werd overgenomen door de 3500 man sterke Duitse 31 Luftlandebrigade. In het stadspark in Zeven onthulden de toenmalige brigadecommandant van 41 Gemechaniseerde brigade, brigadegeneraal der cavalerie jhr. J.H. de Jonge, en de burgemeester van Zeven een herinneringsmonument voor de Nederlanders.


'Vergesst die Heimat nicht', steen bij het Heimat Museum Bergen.


Winter in Hohne


Oefening 'Big Ferro'


Opmars GROEN (41 Tankbataljon)

Majoor E. W. Scheffrahn

VOC-historie
Voor de Koninklijke Landmacht was de belangrijkste gebeurtenis van 1973 de legerkorps-geleide divisie oefening 'Big Ferro'. Nog nooit eerder was op zo grote schaal onder bevel van 1 Nederlands Legerkorps (1 Lk) geoefend. De grootschalige geallieerde deelname bood volop mogelijkheden tot internationale samenwerking, waarbij wederzijdse onderbevelstelling van eenheden kon worden beoefend. De belangrijkste doelstelling van 'Big Ferro' was het oefenen op divisieniveau. Tot dan toe had 1 Lk op dat niveau alleen commandopostoefeningen gehouden, waarbij troepenbewegingen op de kaart werden uitgevoerd. Nu, met echte troepen te velde, werd men geconfronteerd met de werkelijke factoren 'tijd' en 'ruimte'. Daarbij werd voor het eerst het gemechaniseerde optreden op grote schaal in de praktijk gebracht. Majoor E.W. Scheffrahn, toenmalig hoofd sectie 3 (operatiën) van 41 Tankbataljon, doet verslag in de VOC-Mededelingen. Het tactische voorbeeld over de zogenaamde 'vesting Breloh' ontbreekt in deze editie, maar is voor belangstellenden terug te vinden in de VOC Mededelingen van 1974 nummer 1.


Tanktrein beladen door 11 Tankbataljon

NATO-oefening 'Big Ferro'
De reeds lang te voren aangekondigde en in heel Nederland en ook bij onze NATO-partners met belangstelling tegemoet geziene oefening 'Big Ferro' is weer achter de rug en is, zoals uit vele dagbladen en uitspraken van hogere militaire commandanten al bleek, een groot succes geworden. De oefening was een door commandant 1 (NL) Legerkorps geleide vrije twee partijen divisieoefening, welke van 10 tot 21 september 1973 in West-Duitsland werd gehouden met het doel staven en troepen te oefenen in de beweeglijke gevechtsvoering onder snel en onverwachts wisselende omstandigheden, een en ander in nauwe samenwerking met eenheden van verschillende nationaliteit. De deelnemers waren verdeeld in een leidersorganisatie, bestaande uit een leidersstaf, een uitgebreide hulpleiders- (bij divisie en brigade) en scheidsrechtersorganisatie (bij bataljons, afdelingen en zelfstandige compagnieën, eskadrons en antitank- batterijen), een schade-organisatie en gezien de grote te verwachten toeloop van bezoekers, zowel militair als van de zijde van de pers en andere nieuwsmedia, een pers- en bezoekerscentrum, en de spelers.


ZKH Prins Bernhard krijgt uitleg van de oefening door luitenant-generaal F. E. Meijnderts in de commandopost te Ostenholz.

De spelers bestonden uit de staf en eenheden van de 1 Divisie (BLAUW), de 4 Divisie (GROEN), waaronder het voor deze oefening op herhaling opgekomen 42 Tankbataljon (Leopard-1), delen van de 2e Geallieerde Tactische Luchtmacht, eenheden van de legerkorpstroepen, die deels op aanvraag, deels in een bepaalde fase van de oefening in steun aan BLAUW of GROEN konden worden gegeven, en neutrale eenheden voornamelijk bestaande uit eenheden van het Legerkorps Logistiek Commando. Aan buitenlandse eenheden namen deel: van West-Duitsland een pantserbrigade, een tankbataljon, een lange afstands verkenningscompagnie, twee compagnieën van een geniebataljon en in de laatste fase van de oefening een pantsergrenadierdivisie. Van de Verenigde Staten: een tankbataljon (M60A1). Van België: een bevrijdingsbataljon (twee pantserinfanteriecompagnieën AMX en één tankeskadron (Leopard-1). De eenheden van de niet als brigade deelnemende 12 Pantserinfanteriebrigade en 43 Pantserbrigade versterkten de eenheden van de deelnemende brigades.

In totaal namen ongeveer 40.000 man, waaronder 16.000 buitenlandse militairen, ± 9.200 wiel, ± 2.200 rupsvoertuigen, een kleine 200 gevechtsvliegtuigen en 40 helikopters deel aan deze oefening. Het oefengebied werd begrensd door de plaatsen Bremen - Hamburg - de rivier de Elbe in oostelijke richting tot de Innere Deutsche Grenze - in zuidelijke richting volgend tot Helmstedt - Wolfenbüttel - Hildesheim - Minden - rivier de Weser, deze rivier in noordelijke richting volgend tot Bremen. Het totale gebied had een oppervlakte van zo'n 120 bij 120 km. Daar uitgebreid gebruik zou worden gemaakt van de in het gebied voorkomende openbare en andere wegen, was een uitgebreide gevechtswegenkaart, waarop ook de in het gebied voorkomende terreinen waarop kon worden ontplooid, uitgegeven. Ten einde alle hulpleiders en scheidsrechters over het toe te passen systeem van vrije oefening in te lichten, werden zij op 7 en 8 september 1973 in het Infanterieschietkamp te Harskamp uitgebreid en aan de hand van een aantal voorbeelden, voorgelicht. Tevens kregen zij daar de voor hen bestemde voertuigen en radio's toegewezen.


Een Amerikaanse M60A1 passeert een Medium Girder Bridge.

Het systeem van de vrije oefening dat in een voorgaande oefening op lager niveau was uitgeprobeerd en daarna verder verfijnd en uitgewerkt, berust op autonome beslissingen van de scheidsrechter. Zij werkten aan de hand van bepaalde puntenwaarderingen die gegeven werden aan de hand van het door de commandant van de eenheid gemaakte plan. Hierbij werden voor de zowel sterkte van in te zetten troepen, terreingebruik, verrassingselement, artillerie en luchtsteun enz., in cijferwaarderingen omgezet en met de cijferwaardering van de scheidsrechter van de tegenpartij vergeleken, om te komen tot een beslissing of de actie zou slagen, moest worden afgeremd dan wel moest vastlopen. Door dit systeem werd initiatief en juiste troepenaanvoering van een commandant zowel van BLAUWE als van GROENE eenheden gehonoreerd. Dit in tegenstelling tot geleide oefeningen waarbij er voor een van de partijen weinig of geen sprake is van initiatief omdat men zich duidelijk moet houden aan een tevoren opgesteld draaiboek, om de andere partij daarop te laten reageren. Een cavaleriescheidsrechter drukte zich kort en duidelijk uit over het bij de oefening gebruikte systeem en zei: 'Dit systeem is reëler. De slimme commandant, de man met de foefjes wordt beloond'.


Opmars BLAUW (42 Tankbataljon).

Op 10, 11 en 12 september werden de eenheden naar het oefengebied verplaatst. De verplaatsingen verliepen vlot en de oorlogstoestand ging in op 11 sep 2400Z, waarbij de beginsituatie zo was dat de BLAUWE eenheden erin waren geslaagd een drietal bruggenhoofden bij de rivier Aller te behouden.
1 Divisie kreeg opdracht om m.i.v. het invallen van de duisternis op 11 september deze bruggenhoofden over te nemen met één brigade. De overige eenheden van de divisie bevonden zich in verzamelgebieden west van de Aller in de omgeving van Celle en Hannover. Enkele eenheden kwamen daar in de loop van 12 september aan. GROEN (4 Divisie) heeft het gestelde aanvalsdoel, een bruggenhoofd west van de Weser, niet bereikt, doch zag zijn aanval gestopt noord van de Aller.

Fase 1
BLAUW (waarbij o.a. ingedeeld de staf van een Duitse pantserbrigade met Nederlandse eenheden onder operationeel bevel en een andere BLAUWE brigade met o.m. het Belgische Bevrijdingsbataljon en het US tankbataljon onder operationeel bevel) en een verkenningsbataljon, voerde vanuit de verzamelgebieden zuid van de Aller op 13 september na doorschrijding van de brigade in de bruggenhoofden een tegenoffensief uit met twee brigades voor en de brigade van de bruggenhoofden in reserve. GROEN voert het vertragend gevecht met twee brigades. Door de langzame voortgang van de oostelijke brigade werd de reservebrigade spoedig ingezet, doch de aanval van deze brigade liep door hardnekkige weerstand van GROEN in de late middag van 14 september aanvankelijk grotendeels vast noord en oost van het oefenterrein Bergen-Hohne. In de loop van 15 september konden de uiteindelijke aanvalsdoelen (bruggen over het Elbeseitenkanal tussen Lüneburg en Uelzen worden bereikt. Einde fase 1 op 15 sept 1973, waarna direct nieuwe bevelen aan de commandanten van de BLAUWE en GROENE divisies werden uitgegeven. Op zondag 16 september 1973 werd door de troep zo veel mogelijk gerust en werd eenieder in de gelegenheid gesteld een godsdienstoefening bij te wonen.


Scheidsrechters begeleiden een Amerikaans tankpeloton.

Fase 2 - ingang 170001Z sep
BLAUW (1 Divisie) nu met een brigade minder, ging over tot de haastige verdediging en vertraagde de vijand met een nu volledige Duitse pantserbrigade en een Nederlandse pantserinfanteriebrigade achter elkaar in een versmald vak. GROEN versterkt met een brigade (waarbij het Belgisch bevrijdingsbataljon en het US tankbataljon) voert het tegenoffensief. Vermeldenswaard is dat de achterbrigade van BLAUW zijn eerste vertragingslijn achter het riviertje de Örtze had gekozen en m.u.v. de voor de doorschrijding van de terugvallende brigade, de niet benodigde bruggen had vernietigd en van de LSD van de voorbrigade te horen kreeg dat zijn brigade-eenheden 'nu' de doorschrijding hadden voltooid, waarop terecht ook de twee laatste opengehouden bruggen werden opgeblazen. Grote schrik toen dezelfde LSD ongeveer 20 minuten later meldde dat er toch nog delen van een tankbataljon aan vijandszijde van het riviertje waren. De betreffende commandant van de tankeenheid zat er echter niet zo mee, want de bij zijn tankeenheid nog aanwezige brugleggende tank bracht uitkomst. Maar ook de vijand was wakker en zette een aanval in aan weerszijde van de brug met infanterie en de door de brugleggende tank gelegde brug viel in vijands handen.

Door een snelle actie wist de vijand daardoor snel een bruggenhoofd aan BLAUWE zijde te krijgen, Remagen-zuid? Typisch was dat het ook hier weer een deel van het Amerikaanse tankbataljon was, dat in goede samenwerking met de Nederlandse infanteristen dit succes behaalden. In de loop van 18 september liep het offensief van GROEN vast op de door BLAUW ingenomen verdediging van de lijn Visselhövede - Schneverdingen. BLAUW kreeg nieuwe versterkingen aangevoerd in de vorm van een Duitse pantsergrenadierdivisie, bestaande uit een pantsergrenadierbrigade en een Nederlandse brigade die tot zover aan GROENE zijde was opgetreden en nu versterkt werd met Duitse eenheden o.a. een verkenningsbataljon, artillerieregiment, luchtafweerbataljon, geniebataljon en enkele kleinere eenheden. BLAUW beschikte toen over totaal vier brigades.


43 Tankbataljon in de aanval.

BLAUW hernam op 20 september in de vroege ochtend het initiatief, doorschreed de voorste eenheden en ging aanvankelijk voorwaarts over twee assen met het zwaartepunt op de zuidelijke as met twee tankzware brigades naast elkaar. Op de noordelijke as was een versterkte pantserinfanteriebrigade, waarbij de vierde brigade aanvankelijk op de noordelijke as volgde om na het bereiken van een tussengelegen aanvalsdoel op de noordas noordwaarts uit te zwaaien en noord van deze as te worden ingezet. De aanval verliep aanvankelijk moeizaam. GROEN wist door het kiezen van goede vertragende opstellingen de BLAUWE opmars steeds weer aanmerkelijk te vertragen, waardoor pas in de vroege ochtend van 21 september de brigade in de 2e lijn op de noordelijke as kon worden aangetrokken. Vlak voor deze brigade kon worden ingezet, kwam op 211200Z toch nog onverwacht het bericht 'einde oefening' en werden de eenheden in de directe omgeving van de toen bereikte eindpunten verzameld. Een zeker niet geringe taak wachtte toen de diverse verkeersofficieren om ieder in de loop van de nacht en de daarop volgende dag weer op zijn thuisbasis te dirigeren.


Vertragend gevecht door GROEN (41 Tankbataljon).

Een korte eindbespreking voor alle ondercommandanten t/m de bataljonscommandanten, hulpleiders en hoofdscheidsrechters in het pers- en bezoekerscentrum Ostenholz, besloot deze grootste door Nederland ooit gehouden oefening. Na de eindbespreking was men in de grote kantinezaal onder een prettig hapje en drankje nog enige tijd gezellig bijeen en werden de diverse acties nog eens uitgebreid besproken. Opvallend daarbij was dat veel van mijn cavalerie-collega's bijzonder slecht bij stem waren. Vermoeidheid, weinig slaap en intensief gebruik van de radio's, waren hier niet vreemd aan.


Prins Bernhard bezoekt de oefende troepen.

Ten slotte
De oefening is nu ik dit schrijf alweer meer dan een maand achter de rug. Ongetwijfeld is er nog lang in de diverse messes en kantines nagepraat. En ongetwijfeld heeft iedereen nog veel vermoeienissen gehad dan werkelijk bij de oefening en heeft ook iedereen 'gewonnen en was hij de tegenpartij te slim af'. Wat wij, die aan 'Big Ferro' hebben deelgenomen, zeker van hoog tot laag hebben gewonnen, is dat wij een brok ervaring hebben opgedaan, ontberingen en vermoeienis weer eens hebben moeten accepteren, vlot moesten reageren op snel wijzigende omstandigheden - op de meest onverwachte momenten - en uit de ongetwijfeld gemaakte fouten lering kunnen trekken. Rest mij nog op te merken, dat het weer ideaal was. Mede daardoor was de aangerichte schade aan wegen, bermen e.d. gering te noemen en kon door inzet van genie-eenheden de aangerichte schade nagenoeg direct worden hersteld. Mede ook daardoor is deze grote oefening bij de bevolking in het oefengebied goed ontvangen en werd ook van die zijde volle medewerking verleend.


Einde oefening ...

Van de cavalerie namen aan oefening 'Big Ferro' deel: 103 Verkenningsbataljon (versterkt met een eskadron van 102 Verkenningsbataljon), 11 Verkenningseskadron, 13 Verkenningseskadron, 41 Verkenningseskadron, 43 Verkenningseskadron, 11 Tankbataljon (minus één eskadron en versterkt met een eskadron van 43 Tankbataljon), 41 Tankbataljon (minus één eskadron en versterkt met een eskadron van 43 Tankbataljon), 42 Tankbataljon (dat in zijn geheel voor de oefening op herhaling kwam) en 101 Tankbataljon. Een groot aantal officieren en onderofficieren van het Opleidingscentrum Cavalerie (OCC), alsmede officieren en onderofficieren van het niet deelnemende 43 Tankbataljon en 42 Verkenningseskadron en buiten het wapen dienend, nam als hulpleider of scheidsrechter aan de oefening deel.


Truppenübungsplatz Bergen-Hohne


Van 121 Lichte Brigade tot 1 Duits-Nederlands Legerkorps

Luitenant-kolonel Duco Brongers

VOC-historie
Vanaf de komst van 101 Lichte Brigade in 1961 tot en met de opheffing van 41 Tankbataljon in 1994, zijn er Nederlandse troepen in Bergen-Hohne gestationeerd geweest. In 1970 werd in de stad Bergen een Nederlandse woonwijk opgeleverd. In deze 'Siedlung' werden ruim 400 Nederlandse gezinnen gehuisvest. Voor talloze cavaleristen heeft 'Bergen-Hohne' een belangrijk deel van hun leven uitgemaakt. Eind 2015 keerden de Nederlanders weer terug in deze legerplaats. Het OTK-peloton vormde het begin van een Nederlands eskadron bij het Duits-Nederlandse Panzerbatallion 414. In de reeks artikelen 'VOC-historie' mag daarom een artikel over Bergen-Hohne niet ontbreken. Dit beknopt historisch overzicht door luitenant-kolonel Duco Brongers werd gepubliceerd in de VOC-Mededelingen nummer 1 van 2010. Deze editie is bijgewerkt tot de situatie van 2017.

Bergen-Hohne
Welke cavalerist is er niet mee bekend: het schiet- en oefenterrein Bergen-Hohne, het grootste NATO-oefen- en schietterein van Duitsland. In iedere parate periode bij een tank-, verkenningsbataljon of (zelfstandig) verkenningseskadron kwam of kom je er regelmatig. Voor velen die gedurende de Koude Oorlog bij de vooruitgeschoven Nederlandse brigade in West-Duitsland hebben gediend, werd het bijna een tweede 'thuis'. Dit artikel gaat over de geschiedenis van het oefenterrein, waarvan de bouw in 1935 aanving. Voor dit artikel is informatie overgenomen uit het boek 'Die Heidmark' van Hinrich Baumann, dat zeer uitgebreid ingaat op de vele aspecten van dit terrein. Met name op de onteigening van de vooroorlogse boerderijen, de aanleg van het oefenterrein, de krijgsgevangenenkampen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de lokale bevolking die deze geschiedenis van dichtbij meemaakte.

Ontstaan van het oefenterrein
Het was Chef Heeresleitung, Generaloberst Freiherr von Fritsch, die in 1934 van Hitler de opdracht kreeg een zo groot mogelijk en goed getraind Duits leger te formeren. Voor die geoefendheid waren uitgestrekte oefengebieden nodig. Voor Noord-Duitsland viel het oog op het gebied Bergen-Hohne op de Lüneburger Heide. Redenen daarvoor waren de afwisselende topografie, de geringe bevolkingsdichtheid en de aanwezigheid van kleine oefengebieden in de buurt (Munster) waarmee nauwe samenwerking mogelijk was. Het gebied moest ongeveer 25.000 hectare groot worden om twee divisies tegen elkaar te kunnen laten optreden. Dit gaf o.a. Generaal Guderian de mogelijkheid zijn nieuwe pantsereenheden in samenwerking met infanterie te laten oefenen.


De oorspronkelijke situatie van de regio voor 1936.

De bevolking protesteerde fel tegen de komst van dit oefenterrein. De Lüneburger Heide was immers sinds het eind van de 19e eeuw een populaire vakantiebestemming geworden, hetgeen toe was te schrijven aan enkele schrijvers, zoals Hermann Löns, die in zijn boeken uitermate enthousiast schreef over de heidevelden. Naast de zee en de bergen, werd nu ook de Lüneburger Heide een populaire toeristische attractie. Door het inrichten van het oefengebied verloor het kuuroord Fallingbostel bijvoorbeeld al 80% van haar hotelbezetting. Brieven aan Adolf Hitler en een bezoek van gedupeerde boeren aan Berlijn mochten echter niets uitrichten. Circa 6.000 omwonenden zouden uiteindelijk worden geëvacueerd. Het gros daarvan vond een andere boerderij in de omgeving van Fallingbostel of Lüneburg, waarbij zij over het algemeen een goede financiële vergoeding kregen voor de achtergelaten landerijen en eigendommen.

Inrichting van het schiet- en oefenterrein
Aan de oost- en westkant van het oefengebied werden twee grote kazernes gepland met ieder een capaciteit om een divisie compleet met het gehele voertuigenpark en uitrusting in onder te brengen (circa 15.000 man). In 1935 werd begonnen met de bouw van het oostelijke complex 'Lager Belsen', nu 'Lager Bergen-Hohne' genaamd. Het 'Lager Belsen' was met zijn voor die tijd zeer moderne inrichting hèt voorbeeld voor de Duitse Wehrmacht hoe een kazerne eruit zou moeten zien. De hoofdingang lag aan de noordzijde van het kamp, dat nu als zij-ingang dienst doet. Een jaar later werd begonnen met de bouw van kamp Oerbke bij Fallingbostel. Om de circa 3000 bouwvakkers te legeren, werd een barakkenkamp opgezet langs de weg Belsen-Walle.


De toenmalige hoofdingang van Lager Belsen (nu zij-ingang Kamp Bergen-Hohne).

Het gehele terrein diende planmatig op 31 maart 1938 gereed zijn, maar voor militaire oefeningen moest het gebied reeds vanaf 1 mei 1936 gebruikt kunnen worden. De dorpen in het middengebied verdwenen. Daarvan is nu nog maar weinig terug te vinden. Het zijn vooral de borden in het oefengebied die de herinnering hoog houden aan de aanwezigheid van een voormalige gemeente. Vanaf 4 mei 1936 tot uiteindelijk 1945 werd hier geoefend met eenheden van de Wehrmacht, maar ook van de SS, om te worden ingezet aan het front.


De ingebruikname van Hohne. Op 4 mei 1936 trekken de eerste troepen Bergen binnen.

Krijgsgevangenkamp Fallingbostel
Grote oefengebieden werden gedurende de Tweede Wereldoorlog ook geschikt geacht voor het onderbrengen van krijgsgevangenen. Er was voldoende ruimte voorhanden om grote aantallen krijgsgevangenen onder te brengen, ze zaten in de onmiddellijke omgeving van militaire eenheden en meestal was het gebied relatief ver van de bevolking verwijderd en ook moeilijker toegankelijk. Om die redenen werden ook op dit grootste oefengebied van Duitsland krijgsgevangenkampen gebouwd. Bij Kamp Oerbke werden in 1939 al 32 houten barakken opgetrokken om Poolse gevangenen te interneren. Ook werden er vanaf mei 1940 Nederlanders, Belgen en Fransen gevangen gezet. Gedurende het verloop van de oorlog zouden ook Serviërs, Tsjechoslowaken, Italianen, Engelsen, Amerikanen, Australiërs, Canadezen en Russen de kampen bevolken. Het aantal geregistreerde gevangenen zou zijn top bereiken in september 1944 met 95.294 man. Wat de Nederlanders betreft werden deze snel na de meidagen van 1940 weer vrijgelaten. Om reden van de toegenomen tegenwerking van de Nederlandse bevolking en het tekort aan arbeidskrachten in het Derde Rijk werd op 23 maart 1943 opdracht gegeven Nederlandse militairen wederom te interneren. Daarvan zouden rond de 600 Nederlanders terecht komen bij Fallingbostel.


Nederlandse krijgsgevangenen in kamp Fallingbostel.

De Russen werden veel slechter behandeld dan alle andere krijgsgevangenen. Reden daarvoor was dat de Sovjet-Unie het verdrag van Genève niet had ondertekend, maar laat zich ook verklaren uit rassenideologische motieven. Zo stierven alleen al tijdens het transport 25% van de Russische krijgsgevangen door de mensonterende omstandigheden. Bij aankomst in Oerbke in 1941 waren er geen onderkomens, maar stonden de gevangenen opeen gepakt op grote vlaktes. Sommigen groeven holen met hun handen om enige beschutting te hebben. Honderden van hen zouden later worden afgevoerd naar Neuengamme bij Hamburg en worden vergast. Van het Kriegsgefangenlager Fallingbostel/Oerbke zijn 734 begrafenissen van niet-Sovjetsoldaten geregistreerd. Ze steken grillig af tegenover de 30.000 Sovjetdoden. Het Kriegsgräberstätte in Oerbke houdt de herinnering levend aan deze zwarte bladzijde uit de geschiedenis van het oefengebied.

De bevrijding van dit kamp vond plaats op 16 april 1945 door de 22e Britse Pantserbrigade, onderdeel van de 7e Britse Pantserdivisie. Op dat moment bevonden zich nog 13.375 personen verdeeld over tien nationaliteiten in het kamp waaronder 85 Nederlanders. Voor de westerse gevangenen was dit daadwerkelijk de bevrijding. Zij zouden snel op transport worden gezet naar het westen. Voor de Russen lag dat anders. Stalin zag alle gevangenen als collaborateurs. Velen van hen zouden na terugkeer de doodstraf krijgen of naar dwangarbeiderskampen worden gestuurd.

Krijgsgevangenkamp Bergen-Belsen
Het reeds eerder genoemde barakkenkamp bij Belsen interneerde vanaf 1940 zo'n 600 Franse en Belgische krijgsgevangenen. Zij waren daar tewerkgesteld onder de naam Arbeitskommando 601. In 1941 werd dit Kommando opgeheven om plaats te maken voor een groter krijgsgevangenenterrein bedoeld om de toestroom van Russische krijgsgevangenen op te vangen. De omstandigheden waren hier, net als in het krijgsgevangenenkamp Fallingbostel, deplorabel. In november 1941 werd het kamp reeds bevolkt door 21.000 Russen. Velen daarvan overleden door de erbarmelijke omstandigheden of aan de vlektyfus die dat jaar in het kamp uitbrak. Op het dieptepunt stierven er dagelijks rond de 300 krijgsgevangenen. Ze werden in een massagraf 600 meter ten noorden van het kamp begraven. Vandaag bevindt zich daar het gedenkteken met als opschrift: Here are burried 50.000 Soviet prisoners of war tortured to death in German-Fascist captivity. Het kamp beheerde steeds minder krijgsgevangenen tot het in 1943 werd opgeheven; de functie werd overgenomen door het Kamp Fallingbostel.


Het kamp Bergen-Belsen direct na de bevrijding.

Concentratiekamp Bergen-Belsen
In 1943 wordt het krijgsgevangenenkamp Bergen-Belsen door de SS overgenomen. Doelstelling van het kamp was om er ongeveer 10.000 Europese Joden te interneren om mogelijk te kunnen 'ruilen' tegen Duitse krijgsgevangenen. Het werd door de Nazi's het Aufenthaltslager genoemd. De gevangenen zouden daarom vooral Joden moeten zijn die belangrijke betrekkingen of verwantschappen hadden met personen in voor Duitsland vijandelijk gebied. Er zijn 357 gevallen bekend waarbij daadwerkelijk is geruild. Ook zijn 1683 Hongaarse Joden in augustus en december 1944 tegen een losprijs naar Zwitserland afgereisd. Eind juli 1944 interneerde het kamp circa 7500 Joden, het grootste deel daarvan kwam uit Nederland.
Eind 1944 nam het aantal gevangenen fors toe door de evacuatie van concentratiekampen uit het oosten van het Derde Rijk dat door de Russen bevrijd dreigden te worden. Het 'inferno' van Bergen-Belsen begon. Binnen enkele maanden stierven vele tienduizenden gevangenen. Het totaal aantal geschatte gevangenen in Bergen-Belsen vanaf 1943 wordt geschat op 120.000, circa 50.000 personen zouden het niet overleven. Op 15 april 1944 werd het kamp bevrijd door de Britten. Meteen werden maatregelen genomen om zo veel mogelijk mensen te redden. Desondanks stierven er in de twee maanden daarna nog eens 14.000 mensen. De overlevenden werden naar Lager Belsen gebracht om daar te worden verzorgd. Het hele kamp werd op 21 mei leeggemaakt. De letterlijk opgestapelde lijken werden in massagraven begraven. De houten barakken in het kamp werden verbrand om verspreiding van besmettelijke ziektes te voorkomen. Gedenkstätte Bergen-Belsen is opgericht als herinnering aan dit drama.


Het vernietigen van de barakken van Kamp Bergen-Belsen enkele dagen na de bevrijding.

Displaced Persons
Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog bevonden zich in Duitsland circa negen miljoen zogenaamde displaced persons (DP): mensen die niet daar waren waar ze hoorden of wilden zijn. Het waren dwangarbeiders, krijgsgevangenen, gevangenen van de concentratiekampen en vluchtelingen uit het oosten. Voor deze personen werden overal DP-kampen opgericht. Eén van die kampen voor Joodse overlevenden werd opgericht op de kazerne Bergen; eerst onder de verantwoordelijkheid van de Britten en vanaf maart 1946 onder die van de United Nations Relief and Rehabilitation Administration. Met de oprichting van de staat Israel in 1948 verhuisden veel Joden naar hun nieuwe vaderland. Op 10 juli 1950 verlieten de laatste duizend Joden het DP-kamp Bergen-Hohne, dat een maand later zou worden opgeheven. Ook op kamp Oerbke werd een DP-kamp ingericht. Op het hoogtepunt waren hier ruim 22.000 personen ondergebracht. Ook dit kamp werd in 1950 opgeheven. Velen van de DPs die niet naar hun vaderland zijn teruggekeerd, zijn geïntegreerd in de Duitse (lokale) bevolking.


Displaced Persons in Lager Bergen-Hohne.

Civilian Internment Camp
Vlak na de Duitse capitulatie werden in het kader van het denazificeren kampen opgericht. Eén daarvan kwam in Oerbke in het voormalige Russische krijgsgevangenkamp. Het ging daarbij vooral om SS-ers. Op zijn hoogtepunt interneert men hier 10.000 man. Na uitspraken van het geallieerde gerechtshof in Neurenberg in oktober 1946, werden vele Duitsers vrijgelaten. In 1949 sloot het kamp.

Vluchtelingenstroom uit het oosten
Volgens de geallieerde overeenkomsten van Potsdam zouden tot medio 1947 6.65 miljoen Duitsers uit het oosten worden verplaatst naar de Britse bezettingszone. Het Landkreis Fallingbostel moest 37.000 mensen opnemen en de Landkreis Celle nog eens 49.000 vluchtelingen. Daarmee verdubbelde bijna het inwonerstal in deze omgeving. Vele verdrevenen kwamen terecht in de dorpen langs het oefenterrein waar ze een nieuw bestaan moesten gaan opbouwen. De meeste nieuwkomers kwamen uit Polen (voornamelijk Silezië), Oost-Pruisen, Oekraïne, Bessarabië (Roemenië) en de vanuit de door Sovjets bezette delen van Duitsland. Velen gedeporteerden hadden de hoop dat het oefen- en schietgebied zijn waarde had verloren en daardoor een nieuwe bestemming zou krijgen. Deze hoop zou echter ijdel blijken.

Schiet- en oefenterrein na de oorlog
Snel na de bevrijding werd het schietterrein onder Britse leiding al in beperkte mate gebruikt. In de zomer van 1945 werd op baan 5 met tanks op schijven geschoten en een jaar later waren ook de banen 6 en 9 in gebruik. In 1947 vond er voor 800 geallieerde officieren een schietdemonstratie plaats met gecoördineerde inzet van de luchtmacht. Met name de inzet van de nieuwe Centuriontank trok daarbij de aandacht. Vijf jaar later zouden er al veertien schietbanen ter beschikking staan en vele artillerievuurstellingen. Het zijn echter de internationale ontwikkelingen die het nut en de waarde van het oefenterrein weer nieuw leven inblazen. Het ontstaan van de twee machtsblokken, het vrije westen tegenover het communistische regime in het oosten, leidde tot de oprichting van de NATO (1949) en het Warschau Pact (1955). De NATO had al snel behoefte aan grote oefen- en schietterreinen. Dit leidde ertoe dat vanaf 1 april 1958 het oefenterrein door de Britten wordt overgedragen aan de NATO, en dat het vanaf dat moment beheerd zou worden door de eind 1955 opgerichte Bundeswehr. Deze functie heeft het tot aan de dag van vandaag. De omvang van het militaire oefenterrein is nu echter groter dan het oorspronkelijke gebied waarop de Duitsers zich in de Tweede Wereldoorlog voorbereidden. Al aan het begin van de jaren vijftig waren de Britten op zoek naar uitbreiding van het oefenterrein. Dit leidde uiteindelijk in 1956 tot een overeenkomst met de Duitse autoriteiten tot een gebiedsuitbreiding met dertien gebieden. Vele families moesten daardoor wederom verhuizen. Dorpen als Ettenbostel, Achterberg en Alt-Hohne werden afgebroken en verlaten. De families kregen nieuwe woningen in de buurt aangeboden. Door de jaren heen werden diverse verbeteringen aangebracht aan het oefengebied. De meest in het oog springende is toch wel de in de jaren zestig aangelegde 65 kilometerlange verharde Panzerringstrasse om het schietterrein heen.


Onderhoud na het vuren van Leopard-1 tanks tijdens een winterse schietserie op baan 9 in 1982 door huzaren van 41 Tankbataljon.
Op de achtergrond een verplaatsing van Centuriontanks van 101 Tankbataljon.

Nederland
Vanaf 1950 maken afzonderlijke eenheden gebruik van het schietterrein, maar vanaf januari 1956 trekken Nederlandse eenheden massaal naar dit gebied voor het uitvoeren van schietseries. Tijdens de Koude Oorlog werden gemiddeld drie schietseries per jaar georganiseerd. Gedurende deze tweeweekse schietperioden zag het er 'donkergroen' van de Nederlandse eenheden. Voor twee Nederlandse tankbataljons was deze omgeving decennialang de thuisbasis. 41 Tankbataljon RHPA was met de Britten medegebruiker van Kamp Bergen-Hohne (1963-1994) en 43 Tankbataljon RHvS (1973 - 1992) beschikte met een aantal andere Nederlandse eenheden over een eigen Nederlandse kazerne langs de Panzerringstrasse in Langemannshof. Deze kazerne kreeg een andere bestemming nadat de Nederlandse eenheden het kampement in 1992 hadden verlaten.


Oefenterrein Bergen-Hohne anno 1989 (afbeelding NIMH).

Heden
Vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot de zomer van 2015 hebben de Britse strijdkrachten gebruik gemaakt van Bergen-Hohne en Fallingborstel. Decennialang was de 7th Armoured Brigade de hoofdbewoner van NATO Camp Hohne. Ook na de Duitse eenwording en het opheffen van het Warschau Pact, biedt het terrein nog altijd de mogelijkheid voor tankschietoefeningen, die maar op weinig andere plekken in West-Europa kunnen plaats vinden. Het oefenterrein met een oppervlakte van 285 km2 blijft het belangrijkste oefen- en schietgebied voor Duitsers, Britten, Belgen en Nederlanders. Het oefenterrein Bergen-Hohne beschikt op dit moment over 20 schietbanen, waar met 20mm granaten en een hoger kaliber kan worden geoefend, vele kleinkaliberbanen en talloze artilleriestellingen voor het afgeven van artillerievuur tot afstanden van dertig kilometer. Afb. 11 Definitief afscheid van Bergen-Hohne door de Britse troepen in de zomer van


Definitief afscheid van Bergen-Hohne door de Britse troepen in de zomer van 2015.

De wereld veranderde vele malen de afgelopen 80 jaar, het oefengebied Bergen-Hohne bleef echter steeds bestaan. Een ontwikkeling waar vele generaties Nederlandse cavaleristen deelgenoot van zijn geweest en nog vele jaren zullen blijven. Vanaf eind 2015 zijn de Nederlanders als medebewoner terug in Bergen-Hohne. Het Duits-Nederlandse Panzerbatallion 414 heeft hier zijn thuisbasis. Voor de Koninklijke Landmacht is en blijft Bergen-Hohne het belangrijkste oefenterrein om zowel met grotere eenheden te kunnen oefenen als met zware wapens te kunnen schieten. Sinds de invoering van de Apache AH-64D gevechtshelikopter bij de Koninklijke Luchtmacht, wordt het oefenterrein door de Nederlanders ook gebruikt voor het daadwerkelijk beoefenen van Close Air Support.


Een Forward Area Refuelling & Rearming Point voor Nederlandse Apache AH-64-D helikopers op het oefenterrein Bergen-Hohne.


Schietoefeningen met de Leopard-2A6 gevechtstank.

Door het juiste te doen, vreest gij niemand.
U doet pas het juiste als u regelmatig deze site bezoekt.