Cavalerie


Artikelen VOC

april 2017

Bron: VOC nr 1-2017


De Commissie Fabius:hulp aan oorlogsgewonden
en nabestaanden van gesneuvelde cavaleristen


Mei 1940 - strijd op Nederlands grondgebied.

Oud-reserve eerste luitenant drs. Chris de Bouter.

Na de capitulatie van Nederland op 14 mei 1940 maakte ook het Wapen der Cavalerie de droeve balans op. Bij het bombardement op het Depot Cavalerie in de Nieuwe Alexanderkazerne in Den Haag in de vroege ochtend van 10 mei 1940 werd een groot aantal dienstplichtigen in hun slaap gedood. Velen overleden aan hun verwondingen. In totaal waren er 66 dodelijke slachtoffers en vele tientallen gewonden. Tijdens de strijd in de volgende vier dagen vielen 97 cavaleristen. Het totale aantal oorlogsgewonden en mobilisatieslachtoffers bedroeg 222. De gesneuvelden lieten 74 weduwen achter.


Mei 1940 - Nederlandse krijgsgevangenen op de Grebbeberg.

Saamhorigheid
Na de demobilisatie ontwikkelde zich bij de officieren van de cavalerie al snel het gevoel dat de saamhorigheid tussen hen die de strijd actief hadden meegemaakt behouden moest blijven. Er ontstond een grote behoefte aan onderling contact tussen de officieren en kornetten die aan de strijd hadden deelgenomen. Zo breidde het aantal plaatselijke koffietafels zich uit van drie tot acht. Ook de VOC nam haar werkzaamheden weer op en wijdde zich aan de zorg voor de gesneuvelden en de gewonden. In de bestuursvergadering van 24 september 1940 deelde de voorzitter, reserve majoor Jhr. Mr. W.E. van Weede, mee dat hij in de overtuiging daarmee in de geest van het bestuur te handelen, een commissie had benoemd om de belangrijke krijgsverrichtingen (dappere daden) van officieren, onderofficieren, korporaals en huzaren te boek te stellen. De commissie bestond uit luitenant-generaal b.d. H.A.C. Fabius, reserve-eerste luitenant E. H. 's Jacob, reserve-ritmeester Jhr. P.J. Six en de VOC-voorzitter zelf. Generaal Fabius trad op als voorzitter van deze commissie. Op 15 augustus 1940 gaf de VOC een rouwnummer uit met een In Memoriam geschreven door generaal Fabius, waarin alle namen van de op dat moment bekende gesneuvelden der cavalerie waren opgenomen. Op 26 oktober 1940 organiseerde de vereniging een plechtige rouwdienst voor de gevallenen van het Wapen in de Oude Kerk in Amsterdam, waar in veldprediker Ds. J.C. Koningsberger en de hulpaalmoezenier rector G.P.J. Bannenberg voorgingen. In de loop van 1940 werd gewerkt aan een volledige lijst van de gevallenen. Ritmeester Six was onvermoeibaar in zijn inspanningen om de juiste gegevens daarvoor te verzamelen. In maart 1941 kwam deze verlieslijst gereed.


Identificatie van gesneuvelde Nederlandse militairen op de Grebbeberg.

Huize 'Kareol'
Maar ook de zorg voor de gewonden kreeg ruime aandacht. Tijdens de bestuursvergadering van 31 januari 1941 herinnerde waarnemend voorzitter Six aan een brief van ritmeester C.F. Pahud de Mortanges. Deze had na de capitulatie in het als noodziekenhuis ingerichte landhuis 'Kareol' in Aerdenhout een militair revalidatiecentrum gesticht. Pahud de Mortanges had in 1938 een ernstige verwonding aan zijn rechterpols opgelopen. De hand kon met moeite worden gered, maar actieve dienst in het leger was voorlopig niet mogelijk en paardrijden met één hand was ook moeilijk. Op aanraden van Prins Bernhard had Pahud de Mortanges een revalidatiebehandeling in een kuuroord bij Berlijn ondergaan. Deze ervaring bracht hem ertoe om na de Duitse inval en de capitulatie in 'Kareol' een particulier herstellingsoord voor zieke en gewonde militairen op te zetten. 'Kareol' werd begin 1943 gesloten voor de nabehandeling van militaire oorlogsslachtoffers. De dertig nog aanwezige patiënten werden overgebracht naar het Rijks Hospitaal in Den Haag. Ook het in september 1940 geopende Herstellingsoord voor Nederlandsche Oorlogsgewonden Zuylenveld in Zuilen nam de zorg voor revalidatie van gewonde militairen op zich. Na de oorlog werden deze taken overgenomen door het Militair Revalidatiecentrum Aardenburg in Doorn.
In zijn brief aan de leden van de VOC vroeg Pahud de Mortanges hen om voor banen te zorgen voor vijf huzaren in 'Kareol'. De waarnemend voorzitter van de VOC wees er in de bestuursvergadering op dat organisaties als AVO (Nederlandsche Vereeniging tot Bevordering van Arbeid voor Onvolwaardigen) en Stamil (Koninklijke Nationale Vereeniging tot Steun aan Miliciens) zich ook inzetten voor de zorg voor de gewonden en verminkten en voor hun vorming tot volwaardige arbeidskrachten. Hij vond het dan ook gewenst dat de VOC hierover contact met deze organisaties zou hebben. Verder ging hij ervan uit dat de oproep van Pahud de Mortanges ongetwijfeld de bijzondere aandacht van de leden zou hebben. Van de vijf door Pahud genoemde huzaren waren inmiddels al vier geplaatst. Generaal Fabius was al van plan om bezoeken te brengen aan een aantal nog in hospitalen verpleegde gewonden om gegevens over 'dappere daden' te verzamelen. Bij die bezoeken zou herplaatsing van gewonde huzaren zeker ter sprake komen.


De katafalk tijdens de plechtige rouwdienst voor de in de oorlog gevallen cavaleristen in de Oude Kerk te Amsterdam op 26 oktober 1940.

Commissie Oorlogsslachtoffers Cavalerie
Op 25 februari 1941 besloot het bestuur van de VOC de commissie Fabius te verzoeken om ook na te gaan wat nog voor de gewonden kon worden gedaan. De commissie werd uitgebreid met eerste luitenant Jhr. Mr. C.C. van Lidth de Jeude, die secretaris werd. De commissie kreeg de opdracht om voorstellen te doen over hoe de VOC zich in overleg met AVO, Stamil en het Fonds voor Oud-Militairen 1815 met de zorg voor de nagelaten betrekkingen van de in de oorlog gevallen huzaren van alle rangen en standen en voor de gewonde en verminkte huzaren zou kunnen belasten. Zij kreeg de naam Commissie Oorlogsslachtoffers Cavalerie. Dankzij de medewerking van reserve-eerste luitenant J.M. Fentener van Vlissingen kon het secretariaat van de commissie worden ondergebracht bij de Steenkolen Handelsvereeniging in Utrecht. In oktober 1941 verhuisde het secretariaat naar Amsterdam. De directeur van de Stoomvaart Maatschappij Nederland, de oud-reserve eerste luitenant Jhr. Mr. H.L.A. Kretschmar van Veen, zorgde daar voor ruimte in het gebouw van de firma W.A. Hesta & Co aan het Damrak. De heer T. de Meester, oud-hoofdagent van de Java-China-Japan Lijn en oud-collega van Kretschmar van Veen, was zelf geen cavalerist, maar nam geheel belangeloos de secretariaatswerkzaamheden op zich. Freule H.A.A. Gevers, dochter van reserve ritmeester Jhr. J.H. Gevers, assisteerde hem daarbij. De secretaris, Van Lidth de Jeude, was elke woensdagmiddag te spreken op het secretariaat.

In de eerste maanden van het bestaan van de commissie bezochten de voorzitter en de secretaris vele oorlogsgewonden die opgenomen waren in de militaire hospitalen in Den Haag en Utrecht, het ziekenhuis 'St Johannes de Deo' in Den Haag, het herstellingsoord 'Rust en Vreugd' in Wassenaar en in 'Kareol' in Aerdenhout Tijdens die bezoeken werden ook voor het werk van de commissie de nodige gegevens verzameld. Het verzamelen van gegevens ging vrij gemakkelijk voor de gewonden die nog in ziekenhuizen werden verpleegd, maar het was moeilijker om informatie te krijgen over huzaren die als geheel of gedeeltelijk genezen naar huis waren gestuurd. De commissie probeerde een zo volledig mogelijke lijst van alle gewonden te krijgen en werkte daarbij samen met AVO, Stamil, het Fonds voor Oud-Militairen 1815, het Comité voor den zieken en gezonden Soldaat, de Vereeniging Eereschuld en Dankbaarheid, Het Nationaal Fonds voor Bijzondere Nooden en de VIde afdeling van het Afwikkelingsbureau van het Departement van Defensie. Het bestuur van de VOC verzocht de leden huisbezoeken te brengen aan gewonden die niet meer in ziekenhuizen werden verpleegd. In juni 1941 deed de commissie Fabius in de Mededelingen van de VOC een oproep aan alle leden te helpen bij het vinden van een arbeidsplaats voor de verminkte wapenbroeders. In november van dat jaar zond de commissie aan alle VOC-leden een eerste opgave van alle oorlogsinvaliden van het Wapen met bijzonderheden over het vroegere beroep, de verminking en de mogelijkheden voor werk. Van de 222 huzaren die oorlogs- of mobilisatieslachtoffer waren geworden zouden 2 levenslang invalide blijven, 11 kregen kunstledematen, 2 een kunstoog en 75 hadden een min of meer ernstige levenslange verminking.


Villa 'Kareol' aan de Van Lennepweg in Aerdenhout werd gebouwd tussen 1906 en 1911.
Op initiatief van ritmeester Pahud de Mortanges werd het monumentale pand in de jaren 1940 tot 1943
gebruikt als herstellingsoord voor militaire oorlogsslachtoffers.
Het gebouw werd in 1979 gesloopt.

Tijdens de Algemene Vergadering van de VOC op 25 oktober 1941 rapporteerde de commissie Fabius bij monde van haar voorzitter. Bij de bezoeken aan de gewonden was gebleken dat de huzaren over het algemeen erg gevoelig waren voor dit blijk van medeleven. Het aantal geheel of gedeeltelijk naar huis gestuurde huzaren was echter zo groot dat zij niet allemaal door de leden van de commissie konden worden bezocht. Daarom had de commissie een dertigtal leden van de VOC ingeschakeld om de in hun provincie wonende gewonden en nabestaanden te bezoeken en te vragen naar hun geestelijke en materiële omstandigheden. De commissie nam zich voor om voor gewonden die door verminking hun oude beroep niet meer konden uitoefenen na te gaan hoe zij in de toekomst in hun inkomsten zouden kunnen voorzien. De commissie wees erop dat het niet altijd lukte om deze mensen op korte termijn weer aan werk te helpen. Voor mensen die voor de oorlog bijvoorbeeld bankwerker, fabrieksarbeider, chauffeur-monteur of landbouwer waren geweest, was het oude werk veelal te zwaar. Zij werden vaak portier, wachtsman of controleur. In 1943 hadden 180 van deze huzaren werk gevonden, voor een deel ook door de bemiddeling van de commissie Fabius.


Aankomst van militaire slachtoffers in villa 'Kareol' in Aerdenhout.

De commissie beschouwde haar werk als aanvullend, hulpgevend en feitelijk secundair. Het Afwikkelingsbureau van het Departement van Defensie ging uit van het standpunt dat het Rijk moreel verplicht is alles wat invalide militairen nodig hebben van rijkswege te verschaffen. Dat betekende dat van rijkswege niet werd voorzien in wat niet nodig was en in wat min of meer als 'weelde' kon worden beschouwd. Het Departement ging ervan uit dat hier een taak lag voor de verschillende verenigingen en comités. De commissie Fabius wees erop dat coördinatie en een juiste arbeidsverdeling tussen die verenigingen en comités noodzakelijk was om te voorkomen dat de een dubbel hulp zou krijgen en de ander helemaal niet. Daarom was afgesproken dat de VIde Afdeling van het Departement van Defensie zou optreden als centrale instantie voor de hulp aan invalide en gewonde militairen en dat aan deze afdeling alle gevallen die bij verenigingen en comités binnenkwamen zouden worden voorgelegd. Verder was een regeringscommissie ingesteld die gewonde militairen in overheidsbetrekkingen zou plaatsen. Ook was in maart 1941 het werkterrein van de verschillende verenigingen en comités en van de door het Rijk gesubsidieerde AVO zo nauwkeurig mogelijk vastgelegd. De commissie Fabius realiseerde zich dat zij niet over ruime geldmiddelen beschikte en daarom zag zij het als haar taak om waar dat gewenst zou zijn huzaren aan te bevelen en voor te dragen bij de genoemde verenigingen en comités. Zo zorgde de commissie er bijvoorbeeld voor dat een oorlogsgewonde van het Roode Kruis de beschikking kreeg over een invalidenwagentje.


Revalidatie in villa 'Kareol'.

In de loop van 1941 begon de druk van de bezetter steeds zwaarder te worden. Daarvoor moesten particuliere verenigingen al vaak voor allerlei handelingen en publicaties vooraf toestemming vragen, maar nu werd die toestemming steeds vaker niet gegeven. Een plan om een Vereniging Cavalerie 1940 op te richten waarvan allen die bij het Wapen hadden gediend lid konden worden, kon niet worden uitgevoerd omdat de bezetter alle oud-strijdersverenigingen verbood. Na de publicatie van het novembernummer 1941 werd het verschijnen van het Mededelingenblad van de VOC verboden door de commissaris voor de niet-commerciële verenigingen. Daarvoor werd het argument gebruikt dat een artikel was gepubliceerd van de ritmeester van de Generale Staf P. Forbes Wels over de reorganisatie van de cavalerie op 1 mei 1940, zonder dat daarvoor toestemming was gevraagd van de 'Militär Censür'. Maar dit artikel was enkele maanden eerder met toestemming van dezelfde 'Militär Censür' wel in de Militaire Spectator verschenen. De commissaris voor de niet-commerciële verenigingen hief op 1 mei 1942 ook de VOC op. De secretaris van het bestuur zag gelukkig kans om alle ledenlijsten, de adressen en het hele archief tijdig te laten onderduiken, maar de bezittingen met een waarde van 800 gulden werden in beslag genomen. De enige activiteit die nog kon doorgaan, waren de koffietafels. Om moeilijkheden met de bezetter te voorkomen stuurde de commissie Fabius een - enige maanden geantidateerde - brief aan het bestuur van de VOC, waarin zij meedeelde dat zij zeer dankbaar was voor de steun bij de oprichting, maar dat zij verder geen steun meer behoefde.


2 november 1940: Nederlandse militairen herdenken hun gevallen kameraden.

1944 - Samenwerking met Stamil
Op 15 mei 1942 werden de beroepsofficieren door de Duitsers in krijgsgevangenschap afgevoerd, waaronder de voorzitter en een aantal leden van de commissie. Six zorgde er echter in samenwerking met De Meester voor dat het werk zo goed mogelijk werd voortgezet. In juli 1942 hadden van de 222 oorlogs-mobilisatieslachtoffers 115 een werkkring gevonden, voor een belangrijk deel met hulp van oud-(reserve)officieren. Contact werd gezocht met de 58 weduwen van gesneuvelde cavaleristen. Daarbij bleek dat het weduwenpensioen en de wezen-toelage in deze dure tijd in vele gevallen niet voldoende waren om rond te komen. Verschillende provinciale vertegenwoordigers van de commissie zorgden ervoor dat in hun district wonende weduwen een tegemoetkoming kregen van een bevriend fonds of van een relatie. De commissie voorzag dat de bezetter die het niet-commerciële verenigingen steeds moeilijker maakte, haar geld zou gaan confisqueren. Daarom dook de commissie onder bij Stamil. Het werkterrein van deze organisatie was van dezelfde aard als dat van de commissie Fabius, maar werkte niet voor militairen van een specifiek krijgsmachtonderdeel en werd daarom door de bezetter met rust gelaten. Met ingang van 1 januari 1944 werd de commissie in Stamil opgenomen. Er werd een afzonderlijk Secretariaat van Stamil voor Oorlogsslachtoffers Cavalerie (SOC) op gericht onder leiding van De Meester, die het secretariaatswerk van de commissie Fabius op bekwame wijze had uitgevoerd. De voorzitter van Stamil, de heer Koning, inaugureerde tijdens de Algemene Vergadering van Stamil op 15 juli 1944 de Cavaleriecommissie. Generaal Fabius, die inmiddels om gezondheidsredenen uit Duitse krijgsgevangenschap was ontslagen, werd in die vergadering gekozen tot lid van het hoofdbestuur van Stamil. Deze Cavaleriecommissie kon de werkzaamheden op de oude voet voort zetten, maar moest wel rekening en verantwoording afleggen aan Stamil. De Cavaleriecommissie wilde niet alles alleen doen, maar had regelmatig contact met de al genoemde commissies, comités en instanties die zich voor gewonde militairen en nabestaanden inzetten.


Luitenant-generaal H.A.C. Fabius (Historische Collectie Cavalerie).

Een groot voordeel van het werken onder de paraplu van Stamil was ook dat deze organisatie ervoor zorgde dat de uitkeringen van de VOC aan gewonden en nabestaanden werden voortgezet. In de jaren 1941 tot 1944 kwamen vanuit de cavalerie jaarlijks 2.000 tot 6.000 gulden aan giften voor dit doel binnen. Voor die tijd waren dat aanzienlijke bedragen. Maar in het laatste oorlogsjaar gingen deze bijdragen steeds meer achteruit. In de barre oorlogswinter van 1944 was het niet meer mogelijk om de jaarlijkse verrassingen voor gewonden en nabestaanden met Sint Nicolaas, Kerstmis en Pasen vol te houden. Stamil nam in die periode de toezeggingen over voor de geregelde steun aan elf weduwen en wezen die per maand ongeveer 200 gulden bedroegen.

Commissie Oorlogsslachtoffers Cavalerie na de bevrijding
Na de bevrijding organiseerde de VOC op 15 juli 1946 in de Kloosterkerk in Den Haag een rouwdienst voor de in de oorlog gevallen leden, buitengewone leden en juniorleden. In deze dienst gingen de reserve veldprediker Dr. L.D. Terlaak Poot en de aalmoezenier S.J. Moret voor. Een rouwnummer werd uitgegeven met de levensbeschrijvingen en de doodsoorzaken van alle 35 na mei 1940 gevallenen. De commissie Fabius ging, nu weer onder de naam Commissie Oorlogsslachtoffers Cavalerie, verder met haar werkzaamheden. In de VOC-Mededelingen van 31 maart 1946 gaf generaal Fabius een overzicht van de activiteiten gedurende de bijna zes jaar van het bestaan van de commissie. Hij dankte Stamil voor de gastvrijheid, die de commissie daar enkele jaren had genoten en 'de heer De Meester die met lofwaardige ijver en groote toewijding volkomen belangeloos menige lichtstraal gebracht heeft in gezinnen door een kleine toelage, een opwekkend woord of een passend geschenk'. Verder dankte generaal Fabius allen die huzaren te werk hadden gesteld of middelen hadden verschaft om hun nood te lenigen. De commissie wilde met haar werk doorgaan. De Meester bleef beschikbaar, maar vroeg om de steun van de leden van de VOC en met name om hun financiële steun, rechtstreeks aan de commissie of via het lidmaatschap van Stamil.


Reserve-kolonel titulair Jhr. P.J. Six - RMWO (Historische Collectie Cavalerie).

De naoorlogse jaren
In de volgende jaren rapporteerde de commissie steeds tijdens de Algemene Vergaderingen van de VOC. De meeste oorlogsslachtoffers hadden inmiddels werk gevonden. Hierdoor werden de activiteiten van de commissie minder omvangrijk, maar er bleef nog behoefte bestaan aan financiële hulp voor een beperkt aantal gevallen, jaarlijks was ongeveer 2.900 gulden nodig. De binnengekomen giften waren niet altijd voldoende, maar Stamil zorgde voor aanvullende middelen. In de Algemene Vergadering op 5 februari 1949 deelde generaal Fabius mee dat de Vereeniging 'Eereschuld en Dankbaarheid' de in de jaren 1947 en 1948 door Stamil gedane betalingen van ongeveer 5.000 gulden zou restitueren en dat voor de volgende jaren de vergoeding elk jaar opnieuw zou worden bepaald. Bovendien had de penningmeester van Stamil toegezegd de voortzetting van het werk van de commissie te zullen garanderen. Bij die beslissing had een rol gespeeld dat het percentage gesneuvelden en gewonden bij de huzaren zeer hoog was. De Meester berichtte dat aan negen gezinnen nog vaste maandelijkse uitkeringen werden betaald en dat de toelage van drie weduwen was ingetrokken. Uit een enquête van de commissie was gebleken dat de verhoging van de weduwen- en wezenpensioenen van de nabestaanden van in mei 1940 gesneuvelde huzaren voor een belangrijke verbetering van hun leefomstandigheden had gezorgd. In vijftien gevallen werden verzoeken om ondersteuning van ouders van gesneuvelde huzaren nog onderzocht.


De heer T. De Meester (fotoarchief familie de Meester).

Ook in de jaren daarna verleende de Vereeniging 'Eereschuld en Dankbaarheid jaarlijks een subsidie voor de uitkeringen. Sinds 1949 nam Stamil de uitgaven voor de vaste verplichtingen voor haar rekening. Uit eigen middelen had de commissie toelagen aan twee weduwen en vier oud-huzaren betaald. Sinds de VOC kerstkaarten was gaan uitgeven, zond de commissie deze aan de gewonde oud-huzaren en aan de nabestaanden van de gesneuvelden. Over de activiteiten van de commissie in deze jaren is verder niet veel bekend. Generaal Fabius overleed in 1957, ritmeester Six, inmiddels reserve-kolonel titulair en Ridder Militaire Willems Orde, in 1986. De Meester zette de werkzaamheden voort tot in elk geval 1963. In zijn jaarverslag 1960-1961 gaf hij de resultaten weer van een enquête die hij gehouden had onder de oud-huzaren die in de meidagen van 1940 ernstige verwondingen hadden opgelopen. De meeste aangeschrevenen reageerden. Zij stelden het zeer op prijs dat er na zoveel jaren nog steeds aandacht was voor hun wel en wee en dat aan hen jaarlijks een kerstkaart werd gezonden. Er waren erbij die nog steeds leden onder de gevolgen van de opgelopen verwondingen, maar ook klonk in de reacties heel vaak door dat zij er trots op waren bij het Wapen te hebben gediend. In zijn jaarverslag 1961-1962 deelde De Meester mee dat nog slechts in enkele gevallen door de commissie of Stamil kleine toelagen waren toegekend aan oud-huzaren en weduwen.

Nadat De Meester zijn werkzaamheden had beëindigd, namen reserve-ritmeester H.C. Oortman Gerlings en zijn echtgenote de nog overgebleven taken over. Zij zorgden ervoor dat de gewonden van 1940 en de nabestaanden van de gesneuvelden elk jaar een kerstkaart ontvingen. Op deze wijze liet het Wapen der Cavalerie hen weten dat zij en hun inzet voor het vaderland niet vergeten waren.

Tot slot
De Commissie Oorlogsslachtoffers Cavalerie heeft in de ruim twintig jaar van haar bestaan veel en nuttig werk verzet om het leven van hen die zwaar waren getroffen door het oorlogsgeweld van de meidagen van 1940 en van de familie van de gesneuvelden dragelijker te maken. Met name de heren Fabius, Six en De Meester hebben daarin een heel belangrijke rol in gespeeld. Met steun van Stamil heeft de commissie ervoor kunnen zorgen dat in de moeilijkste jaren van de oorlog deze mensen materieel gesteund werden. Via het netwerk van cavaleristen konden vele invaliden aan een passende baan worden geholpen. Maar zeer belangrijk was ook de morele steun. Door de activiteit van de commissie Fabius wisten zij dat het Wapen der Cavalerie de oorlogsslachtoffers niet vergeten was en dankbaar bleef voor het offer dat zij hadden gebracht.

Bronnen: verslagen Bestuur VOC 1940 tot en met 1946, VOC-Mededelingen 1940 tot en met 1950, E.H. Brongers: 'De Nederlandse Cavalerie in de Meidagen van 1940' en de Stichting Museum Nederlandse Cavalerie.


Oorlogsgewonde in villa 'Kareol'.



LA COURTINE


Luitenant-kolonel b.d. E. J. Schoemaker

VOC-historie
Wat had het Nederlandse leger in de jaren zestig te zoeken in Frankrijk? Bij de opbouw van de Koninklijke Landmacht spelen zowel de motorisatie en de mechanisatie van de manoeuvre-eenheden, als de opleiding van de dienstplichtige militairen een belangrijke rol. Voor het oefenen met eenheden boven compagnies- en eskadronsniveau ontstaat behoefte aan grotere oefenterreinen. Die zijn in Nederland niet voorhanden. Na de toetreding van de Bundeswehr tot de NATO, moeten de beschikbare oefenterreinen in Duitsland niet alleen met de Britten worden gedeeld, maar ook met de Duitsers zelf. In Frankrijk staan op dat moment kazernes leeg, omdat de Fransen een deel van hun troepen hebben ingezet bij het conflict in Algerije. In Den Haag wordt vooral gekeken naar het kamp van Mourmelon in de Champagnestreek. Uiteindelijk wordt, mede om financiële redenen, overeenstemming bereikt voor het gebruik van het oefengebied bij La Courtine. In 1959 vindt de eerste Nederlandse oefening plaats. In die jaren betekent dit oefenprogramma voor vele dienstplichtigen hun eerste reis naar 'het buitenland'. In 2009 opent de Historische Verzameling Cavalerie een tijdelijke expositie, die aandacht schenkt aan de periode 1959-1971. Naar aanleiding van deze tentoonstelling publiceert luitenant-kolonel Bert Schoemaker in de VOC-Mededelingen nummer 1 van 2009 een artikel waarin hij terugblikt op 'La Courtine'.


Plattegrond van La Courtine bij de ingang van het kamp.

Inleiding
In 2009 is het vijftig jaar geleden dat Nederlandse eenheden, waaronder cavalerie, voor het eerst oefenden in het Franse La Courtine. Dat gebeurde jaarlijks gedurende enkele maanden tot 1964, en daarna nog voor kleinere perioden in 1970 en 1987. De reden waarom 'we' destijds naar Frankrijk gingen om te oefenen was simpel. Door de vergroting van de omvang van de Bundeswehr, werden de mogelijkheden voor Nederland om in Duitsland te oefenen (Sennelager, Hohne en Munsterlager) aanzienlijk beperkt. We dienden ook naar andere oefenterreinen uit te zien. De keuze viel uiteindelijk op La Courtine. Zulks naar aanleiding van een daartoe strekkend voorstel van generaal-majoor P. Gips, die in 1958 met een aantal deskundigen op verkenning was geweest. La Courtine kwam vrij omdat de aldaar gelegerde Franse eenheden werden overgeplaatst naar Algerije, dat toen nog onder Frans gezag stond.

Oefenterrein
Het oefenterrein is genoemd naar het dorpje La Courtine (circa 1.000 inwoners), dat aan het terrein grenst. Het oefenterrein is ongeveer 70 km2 groot, vrij geaccidenteerd en ligt op zo'n 800 m hoogte. Het oefengebied is voor gemechaniseerd optreden minder geschikt door de scherpe insnijdingen, steile hellingen en het vrij grote aantal moerasjes. Voor de infanterie te voet was het een uitdagend terrein met vele mogelijkheden, zij het dat het weinig overeenkomst vertoonde met de Noord-Duitse Laagvlakte, waar de Nederlandse oorlogsopdracht lag. La Courtine ligt ongeveer 900 km zuid van Eindhoven, 100 km oost van Limoges en 100 km west van Clermont Ferrand. Het terrein ligt op het 'Plateau de Millevaches'. De meest voor de hand liggende vertaling daarvan is: 'de hoogvlakte van de duizend koeien' en niet: 'de hoogvlakte van duizend klabakken of laffe, respectievelijk luie personen', wat als vertaling ook mogelijk is.


Eindhoven - La Courtine: een verplaatsing van 900 km. Bivakkeren en aftanken in Mourmelon.
Let op de DAF vrachtauto's in 'La Courtine' uitvoering.

Verplaatsing
In het eerste jaar (1959) hebben in de periode 4 juli tot 2 november ruim 24.000 militairen in La Courtine geoefend. Niet gelijktijdig, maar elke vier à vijf weken een nieuwe groep. Voor de verplaatsing naar en van La Courtine waren ongeveer 1000 wielvoertuigen nodig. De tanks en ander gemechaniseerd materieel ging per trein. Vanaf Eindhoven een verplaatsing van 900 km. Een grote afstand, zeker als daarbij wordt bedacht dat de reis over relatief smalle wegen ging en door talloze dorpen en stadjes. Duizend voertuigen ingedeeld in pakketten van 20 tot 25 voertuigen, waartussen ook ruimte moest blijven voor het burgerverkeer (inbegrepen landbouwverkeer e.d.). Voor zowel de heen- als de terugreis over de weg waren drie dagen uitgetrokken.

Het eerste traject was Eindhoven - Mourmelon (nabij Reims), met een bivak op het oefenterrein. Het tweede traject was Mourmelon - Bourges, met een overnachting in (pup)tenten op de schietbanen van La Polygone, en de derde dag Bourges - La Courtine. In het kamp werd de wielcolonne verwelkomd door personeel van het voordetachement en door de cavaleristen, die reeds eerder waren gearriveerd met treintransport.
De treinverplaatsing duurde vaak zo'n zeven dagen. Dat kwam doordat de tanktreinen tijdens de reis veelvuldig op zijsporen werden gerangeerd, omdat het normale treinverkeer voorrang had boven de tanktreinen, die vanwege de breedte van de Centurion tanks 'hors profil' waren. Een tankeskadron plus bergingstank(s) van 18 of meer tanks, vertrok uit Nederland op één trein met één locomotief, werd onderweg gesplitst in twee treinen met twee locomotieven en tenslotte in drie treinen met elk twee (stoom)locomotieven. Dat was nodig in verband met het geaccidenteerde terrein. De tankbemanningen zaten de hele reis in zeer eenvoudige personenrijtuigen. Zeven personen op acht zitplaatsen werd voor zowel de dag als de nacht toereikend geacht. De AAT (Aan- en Afvoer Troepen) -vervoersorganisatie was destijds nog erg zuinig bij het inhuren van materieel.

Bij het wegtransport had men ook te maken met 'hors profil'. Dat kwam onder meer doordat in de colonnes zogenoemde 'dummy tanks' meereden. Dat waren DAF vrachtauto's die waren voorzien van zijschotten met het profiel van een tank met een (houten) koepel, waardoor deze op afstand op 'tanks' leken. De zijschotten maakten deze DAFs circa 40 cm breder. De van radio's voorziene dummy tanks werden bij oefeningen buiten het oefenterrein gebruikt om de tanks te simuleren, omdat de rupsvoertuigen niet op het openbare wegennet mochten komen.


Voorlichtingsboekje voor de deelnemende troepen.

Tour de France
Voor iedere militair was een boekje met wetenswaardigheden beschikbaar in zakformaat: 'Tour de France'. Daarin werd o.m. aandacht besteed aan de route die werd gevolgd, maar ook aan het oefenterrein, het dorpje La Courtine, de omgeving en de Franse bevolking. Voorts werd meegedeeld dat men een oefentoelage ontving boven de gebruikelijke soldij of wedde van hfl. 1,- (€ 0,45) per dag voor huzaren en korporaals, hfl. 1,50 per dag voor wachtmeesters en opperwachtmeesters, hfl. 1,75 per dag voor adjudanten en kornetten, hfl. 2,- voor subalterne officieren en hfl. 2,25 voor hoofdofficieren. Onder de 'hygiënische wenken' werd aangeraden 'lichte vrouwen' te mijden. Als men door een slang werd gebeten, moest onmiddellijk een knevelverband worden aangelegd, enz.


Oefenen in La Courtine.

De eerste oefening
In juni 1959 vertrokken 3300 man in 760 voertuigen om de voorbereidingen te treffen. De colonne was zo'n 70 km lang en de passeertijd was ongeveer twee uren. De gemiddelde snelheid was niet hoog, slechts 40 km per uur. De route was bewijzerd met 'Axis Up' en (terug) met 'Axis Down . Personeel van de Koninklijke Marechaussee regelde het verkeer op kritieke punten. Elke wagencommandant had een zeer gedetailleerde route-tijd tabel met bijzonderheden. De DAFs beladen met personeel reden in zogenoemde La Courtine-uitvoering, waarbij de zeildoekoverkapping van de laadbak was gereduceerd tot een strook zeildoek over de voor- en bovenzijde van de laadbak.

De bivakken tijdens de verplaatsing waren, hoewel beperkt in voorzieningen, goed geregeld. Het was opmerkelijk hoe snel 1.700 tentjes op rij in de met tape gemarkeerde vakken waren opgesteld. De sanitaire voorzieningen, latrines, bestonden uit gegraven sleuven met een scherm eromheen. Voor afval waren gaten (veelal met springstof) in de vaak rotsachtige bodem gemaakt. De hoeveelheid afval was groot, omdat er gevechtsrantsoenen werden gegeten. Om elektrisch te kunnen scheren, werden op meerdere plaatsen grote hoeveelheden contactdozen op 'scheerpalen' opgesteld. Het was een hele klus om in de bivakplaatsen de voertuigen af te tanken met brandstof (jerrycans) en deze vervolgens vertrek gereed te parkeren. Op de derde dag vertrokken de eerste voertuigen om half zes voor de laatste etappe. Het was dan nog acht uur rijden naar La Courtine.


De legeringsgebouwen van 'Camp La Courtine' in 1959.

De Franse kazerne
In La Courtine wachtten kazernegebouwen die wel heel erg afweken van die, die men in Nederland en ook in Duitsland gewend was. Niet alleen dat deze er armoedig uitzagen, maar ze moesten ook nog worden ontdaan van allerlei ongedierte. Hetgeen gebeurde door de schoonmaakploegen van het voordetachement. De gebouwen roken daardoor naar ontsmettingsmiddelen (lysol) wanneer deze werden betrokken. De toiletten waren 'Frans', voor de meeste militairen toen nog een onbekend fenomeen. Als aanvulling werden veldlatrines gegraven.
De beschikbare keukenaccommodatie in de kazerne was grotendeels onbruikbaar. Daarom werd er gekookt op benzine gestookte veldkeukens, die onder (zeildoeken) afdaken waren opgesteld. De voeding werd voor een groot deel in Frankrijk gekocht, maar ook opgevoerd vanuit Nederland. Hagelslag, pindakaas en sambal waren niet in Frankrijk te krijgen.
Ook voor de nodig geachte ontspanning vond aanvoer plaats vanuit Nederland. Artiesten traden elk weekend op in een grote 'welzijnszorgtent'. Toen met bekende namen als Ria Kuijken, René and his Alligators, de Selvera's, Milly Scott en de Mounties. Nu voor het merendeel nog slechts (bij ouderen) een herinnering. De Dienst Welzijnszorg ('uw welzijn zal ons een zorg zijn') deed fantastisch werk. In het naburige dorp was niet veel te beleven. Wel was er voldoende wijn te krijgen en dat leidde met name in de eerste weekenden van elke nieuwe lichting tot dronkenschap en wangedrag. Door de Marechaussee werd daarom intensief gepatrouilleerd.


Centuriontanks in La Courtine.

Vele eenheden richtten in hun legeringsgebouw een eigen bar in, waarbij veel creativiteit werd getoond. Niet allen voor wat betreft de inrichting, maar ook op het gebied van drankjes. Zo was bij het B-eskadron van 101 Tankbataljon witte wijn met een scheutje limonadesiroop een geliefd drankje. Dit eskadron had meer bijzondere zaken in haar bar, zoals een terrarium met in het oefengebied gevangen slangen (waaronder adders) en hagedissen. Bij een regionaal bedrijf werd een jukebox geregeld, met uiteraard voornamelijk Frans repertoire. Francoise Hardy met haar liefdesliedjes werd veel gedraaid. In 1964 kon aan het repertoire een Nederlandstalig lied worden toegevoegd: 'Beste ouders, lieve Ine', geschreven door Eli Asser en gezongen door Rijk de Gooijer. Hier de tekst van de twee eerste (van acht) coupletten van deze, nu nog bekende, op een 45 toeren grammofoonplaatje uitgebrachte hit.

Beste ouders, lieve Ine
ik schrijf hier uit La Courtine
dat was lachen onder 't eten
onze generaal is door een slang gebeten

't Stikt hier van de wilde dieren
een van onze officieren
'n zekere Arnout Dendermonde
daarvan hebben ze alleen zijn bril gevonden.

Wat velen niet weten is, dat op de achterkant van het plaatje het antwoord op deze brief stond: 'Beste kerel, hier is vader', ook gezongen door Rijk de Gooijer.


Bespreking onder leiding van generaal-majoor van den Wall Bake.

Tankeenheden
De tankeskadrons die naar La Courtine gingen, werden voornamelijk ingezet als ondersteuning van het infanterieoptreden. Dit betekende meestal dat de tankpelotons werden ingedeeld bij bataljons en dat de pelotonscommandanten rechtstreeks zaken deden met de bataljonscommandant of zijn staf. De tanks kwamen het oefenterrein niet af. Bij de grotere oefeningen, die ver buiten het oefenterrein startten, was de tankcomponent vertegenwoordigd door de dummy tanks. Mede omdat de DAFs aan de wegen waren gekluisterd en het terrein zeker geen makkelijk tankterrein was, vroegen deze oefeningen veel inlevingsvermogen. Met name bij de pelotonscommandanten, die geacht werden de bataljonscommandanten met betrekking tot de inzet van tanks te adviseren. Aangekomen op het oefenterrein werd overgestapt op de tanks en werd daarmee de oefening voortgezet. De Centurions stonden geparkeerd aan de rand van het terrein, hoog boven het kamp. De heuvel, waar de parkeerplaats lag, heette de 'Boutignon'.


Geen gemakkelijk tankterrein in La Courtine.

De weersomstandigheden in het oefengebied konden sterk verschillen, van erg warm tot ijzig koud en van stoffig droog tot erg nat en modderig. Met name in de regenperiode was het tankoptreden moeilijk, omdat de zon dan niet als oriëntatiepunt kon worden gebruikt. Bij het om tactische redenen door lage terreindelen verplaatsen ('Panzer fahren, wo das Wasser fliesst'), raakte men soms de richting kwijt. Met name in het gebied rond Croix Louis was het moeilijk oriënteren.
Veel oefeningen eindigden met de inzet van een kernwapen door eigen troepen. Dat werd gesimuleerd door de genie met springstof en een vat afgewerkte olie. Jammer genoeg zagen de oefenende troepen dit niet, omdat men vóór het moment van detonatie weg moest duiken en zeker niet mocht kijken.


Monsieur André Lesbats was een slimme ondernemer.
Hij verkocht levensmiddelen aan de vaste kampstaf en doopte zijn restaurant in het dorp om in 'In de Gebakken Pieper' en
benoemde zichzelf tot 'patatkoning' ('Au Roi de la Frite'). Het restaurant kreeg onder de Nederlanders grote bekendheid als 'Jan Patat'.

Terugtocht
De terugtocht naar Nederland vond niet altijd plaats via Bourges en Mourmelon. Soms moest aansluitend aan een La Courtine-periode worden verplaatst naar het schiet- en oefenterrein Bergen-Hohne in Duitsland voor deelname aan een schietserie. De verplaatsing over de weg ging dan via Nancy en dat is een verhaal apart, omdat voor deze verplaatsing door hogerhand maar weinig was geregeld.


Het oefenprogramma in de jaren zestig in Frankrijk, betekende voor vele dienstplichtigen hun eerste reis naar 'het buitenland' ...

Van de La Courtine-periode is in de Historische Verzameling Cavalerie helaas weinig aanwezig. Daarom als afsluiting van deze terugblik het verzoek of u nog souvenirs, documentatie of anderszins hebt uit deze periode en de vraag of u deze aan het museum zou willen schenken. Bij voorbaat dank.


Ansicht uit La Courtine.



CAVALERIE EN PANTSERVOERTUIG


Majoor A.H.J. Claessen

VOC-historie
Midden jaren tachtig van de vorige eeuw beschikt de cavalerie over bijna 1.000 tanks. Bij 1 NL Legerkorps zijn in de oorlogsorganisatie 12 tankbataljons, 4 verkenningsbataljons en 5 zelfstandige verkenningseskadrons ingedeeld. Het Wapen der Cavalerie vormt de slagkracht van de Koninklijke Landmacht. Het Opleidings Centrum Cavalerie te Amersfoort, verantwoordelijk voor het opleiden van vakkundig en gemotiveerd personeel voor deze eenheden, heeft in die jaren een vaste staf van 900 man. Voor de vele functieopleidingen staat een voertuigenpark ter beschikking van 180 rups- en 120 wielvoertuigen. Jaarlijks worden er ruim 3000 dienstplichtigen opgeleid. In de VOC-Mededelingen van 1984 nummer 3 publiceert de majoor Claessen een artikel waarin hij een historisch overzicht geeft van de invoering van alle typen pantservoertuigen door de Nederlandse cavalerie vanaf 1927, het jaar waarin de landmacht één Renault tank aankoopt, tot en met de ingebruikname van de M-113 serie gepantserde rupsvoertuigen door de verkenningseenheden en de Leopard-2A1 NL gevechtstank door de tankbataljons. Majoor Claessen schreef dit artikel destijds naar aanleiding van het 50-jarig bestaan van de VOC.

De periode voor de Tweede Wereldoorlog
De opkomst van de moderne strijdwagen kon pas in ernst beginnen nadat in 1865 de benzinemotor was uitgevonden en zich langzamerhand tot een redelijk betrouwbare krachtbron ontwikkelde. Kort voor de Eerste Wereldoorlog zien we in diverse landen (de Verenigde Staten, Oostenrijk, Frankrijk en Duitsland) de eerste pantserauto's verschijnen. Veelal waren het improvisaties waarbij een vrachtautochassis van pantserplaten en een mitrailleur werd voorzien. In de gevechten van de Eerste Wereldoorlog konden zij echter geen invloed uitoefenen. Het ontbrak aan voldoende terreinvaardigheid (de artillerie ploegde het terrein grondig om), pantsering en vuurkracht. De door Engeland en Frankrijk ontwikkelde tank bleek beter aan de eisen te voldoen welke de 'moderne' oorlog stelde, hoewel de mechanische betrouwbaarheid bepaald onvoldoende was. Spijtig, maar in dat stadium begrijpelijk, was het dat door het ontbreken van een goede doctrine de tanks niet op de meest efficiënte wijze werden ingezet, waardoor ook zij geen beslissende invloed op het verloop van de oorlog hadden.


Erhardt pantserwagen.

Nederland had tot na de Eerste Wereldoorlog in het geheel geen deel aan de ontwikkeling van het pantservoertuig. Toch verkreeg ons land twee pantserauto's en wel door zuiver toeval. In het begin van de oorlog overschreed een Belgische Minerva de Nederlandse grens en werd hier geïnterneerd. Deze wagen is in 1919 weer aan België teruggegeven. Ook een Duitse Erhardt pantserwagen geraakte geïnterneerd. Hij stond in 1940 in de werkplaatsen van de Artillerie-inrichtingen bij de Hembrug in Zaandam en is door de Duitsers naar Duitsland teruggebracht.

Als gevolg van de ongekende bezuinigingswoede op Defensie (de tijd van het 'Gebroken Geweertje') in de jaren twintig en dertig was het uiteraard onmogelijk ons leger van het nieuwe en dure strijdmiddel te voorzien. Daar kwam overigens bij dat ook de legerleiding aanvankelijk weinig heil zag in pantservoertuigen; zij hadden immers geen spectaculaire rol gespeeld in de grote wereldoorlog en bovendien speelde de befaamde, voor pantservoertuigen ondoorschrijdbare, waterlinie een belangrijke rol in het door de legerleiding opgestelde verdedigingsconcept. Wel werden, na veel heen en weer gepraat, in 1924 enige GMC vrachtauto's omgebouwd tot pantserauto met het doel deze te gebruiken voor het onderdrukken van oproeren. In 1932 werden bij de Hembrug nogmaals drie pantserauto's op een Morris-chassis gebouwd.


Pantserwagen op Morris-chassis.

Genoemde wagens zijn o.m. in 1932 door de politietroepen gebruikt tegen het oproer in Amsterdam. Daarbij bleek dat de wielvoertuigen toch moeite hadden om opgeworpen barricaden te overwinnen en vandaar dat nog in 1932 de minister van defensie een vijftal Garden Lloyd Carriers liet aanschaffen. Hij bepaalde wel nadrukkelijk dat zij niet door het veldleger gebruikt mochten worden; dat zou immers geld kosten. Eind van de dertiger jaren werden de carriers ingedeeld bij het Korps Rijdende Artillerie. Van één Lloyd is bekend dat hij bij het bombardement op het vliegveld Waalhaven in brand werd geschoten.


Garden Lloyd Carrier.

Inmiddels bezat Nederland ook een heuse tank. In 1927 was namelijk een Renault FT 17 tank aangeschaft uit een in de Eerste Wereldoorlog gebouwde serie. Uit zuinigheidsoverwegingen was het kanon echter niet geplaatst! De minister bepaalde dat de tank uitsluitend gebruikt mocht worden voor demonstraties aan de troep (zodat onze soldaten in ieder geval een tank gezien zouden hebben), alsmede het testen van de doorschrijdbaarheid van de waterlinie. Hieruit blijkt dat geenszins het voornemen bestond een tankwapen op te richten. De proeven bewezen overigens wel dat Nederland achter de waterlinie 'veilig' was voor tankaanvallen, want de tank raakte regelmatig in de geïnundeerde weilanden muurvast. Zowel de regering als de legerleiding opgelucht ...
Gedurende de meidagen van 1940 is Nederland nog korte tijd in het bezit geweest van twee andere Renaults. Dit waren voertuigen die door de Franse troepen, die een poging hebben gedaan vanuit België naar de Moerdijk door te stoten, waren achtergelaten. Zij zijn overigens van geen nut geweest.


Proefneming met de Renault FT 17 tank.

Toch, ondanks alles, groeide het besef dat het Veldleger nut kon hebben van pantservoertuigen. Om de inundaties voor de waterlinie tijdig te kunnen stellen en de linie te bezetten, diende een uit het oosten komende vijand voldoende te worden vertraagd. (Ter verduidelijking: de achter de waterlinie gelegen 'vesting Holland' omvatte globaal de provincies Utrecht, Noord- en Zuid-Holland). Om die vertraging te verkrijgen werden de IJssellinie en de Peel-Raamstelling ingericht als lijnen waarin tijdelijk verdedigd zou worden. Achter deze linies moest, met beweeglijke troepen in vertragingsacties tegen de vijand geageerd worden. In Brabant werd deze taak toegedacht aan de Lichte Divisie. Uit de proeven met de genoemde Renault tank was gebleken dat in de gebieden Achterhoek, Veluwe en Brabant heel goed met pantservoertuigen opgetreden kon worden. In deze gebieden zouden pantserauto's, mits over een redelijke terreinvaardigheid, bewapening en pantsering beschikkend, een waardevolle bijdrage kunnen vormen. Improvisaties op vrachtauto's zouden echter zeker minder geschikt zijn voor de gedachte taken. Zo werden dan in 1934 bij de Zweedse Landsverk fabriek 12 pantserauto's gekocht, die na aflevering werden ingedeeld bij het Eerste Eskadron Pantserwagens te 's-Hertogenbosch. Hier komt dus voor het eerst het gepantserde gevechtsvoertuig binnen ons Wapen. Vier jaar later werden nogmaals 14 Landsverk pantserwagens aangekocht en ingedeeld bij het Tweede Eskadron Pantserwagens te Amersfoort. Beide series verschilden slechts op enkele details van elkaar.


De Landsverk M-38 pantserwagen.

Hoewel de oorlogstaak voor beide eskadrons vóór de waterlinie lag, werden zij vlak voor en tijdens de meidagen van 1940 naar de vliegvelden rond Den Haag verplaatst omdat de Duitse inval in Noorwegen had bewezen hoe kwetsbaar vliegvelden waren voor luchtlandingen. Een Landsverk pantserwagen bevindt zich thans in de Historische Verzameling Cavalerie, een schenking van het Ierse leger.

Na veel ontwikkelingsmoeilijkheden leverde de firma DAF eind 1939 een zevental moderne pantserwagens van het type M 39. Zij kwamen in het Depot Cavalerie en zijn in mei 1940 o.a. actief geweest rond Den Haag en bij het vliegveld Ypenburg. Na de capitulatie werd de hele serie voertuigen overgenomen door een Duitse politie-eenheid, die er mee naar Rusland vertrok. Mogelijk staat er nu nog één in een Russisch oorlogsmuseum.


DAF M 39 pantserwagen.

Koninklijk Nederlands Indisch Leger
Het KNIL had in de vooroorlogse jaren evenzeer te lijden onder de nietsontziende bezuinigingspolitiek. Dat had uiteraard gevolgen voor de KNIL-cavalerie en de ontwikkeling van het pantserwapen aldaar. (Kolonel b.d. C.A. Heshusius heeft daar boeiend over geschreven in zijn boek 'KNIL-Cavalerie'). Dure paarden-eskadrons werden opgeheven en het daardoor ontstane tekort werd in 1938, deels, gecompenseerd door de oprichting van 4 pelotons pantserwagens, waarvoor in totaal 12 Alvis-Straussler pantserwagens werden aangeschaft. Tevens werden voor beproevingsdoeleinden twee mini-tanks Vickers plus een amfibische Vickers aangeschaft. Laatstgenoemde was geen succes, maar de proeven met de beide overige Vickers verliepen succesvol. Daarop werd in 1939 een Bataljon Vechtwagens opgericht. De tankproducerende landen konden of wilden, nu een grote oorlog zo nabij bleek, niet meer leveren. Dit leidde ertoe dat het KNIL, toen in het voorjaar van 1942 de Japanners aanvielen, de strijd moesten voeren met een arsenaal dat niet meer omvatte dan 20 lichte tanks Vickers-Carden-Lloyd, 17 lichte tanks Marmon-Herrington, 12 pantserauto's Alvis-Straussler en een aantal gepantserde White verkenningsauto's. Projecteert men deze aantallen op het reusachtige te verdedigen gebied, dan is duidelijk dat de vooroorlogse zuinigheid welhaast misdadig te noemen was.


Marmon-Herrington tanks bij het KNIL.

De periode 1945-1950
In deze periode springen de volgende zaken in het oog:
-
-
-
-
de geboorte van de cavalerie
de heropbouw van de Koninklijke Landmacht en het Koninklijk Nederlands Indisch Leger
de pacificatie van Nederlands Oost-Indië
de oprichting en de deelname aan de North Atlantic Treaty Organization
Al deze zaken hadden diepgaande gevolgen voor de cavalerie en haar uitrusting.

Medio 1945 startte majoor Jhr. J.J.G. Beelaerts van Blokland te Bergen op Zoom de Pantserschool, in feite de wedergeboorte van de cavalerie. Het benodigde materieel werd 'verkregen' uit Engelse en Canadese dumps. Het werd een zeer gevarieerde verzameling gepantserde voertuigen. Te noemen zijn: Lynx, Humber, Fox, Daimler, Staghound, gepantserde 15 CWT en Otter. De Otters voldeden echter niet en werden overgedragen aan de Koninklijke Marechaussee, die er nog 25 jaar gebruik van maakte.


Staghound.

In 1947 werd de Pantserschool omgezet in het Eerste Verkenningsregiment 'Huzaren van Boreel'. Dit regiment zond uiteindelijk 6 eskadrons pantserwagens naar Nederlands Oost-Indië. Ook werd in 1947 een Proefeskadron Vechtwagens opgericht dat aanvankelijk met Canadese RAM-tanks, later ook met Amerikaanse Sherman tanks werkte. Nog in datzelfde jaar werden 4 eskadrons vechtwagens geformeerd en uitgezonden naar Indië om aldaar eskadrons van het KNIL af te lossen. Omdat het KNIL in die tijd was uitgerust met Stuart tanks, werden de 4 eskadrons op dat type tank opgeleid. Daartoe werden uit geallieerde dumps een aantal Stuart tanks naar Amersfoort gebracht en kwam een groep KNIL instructeurs uit Indië tijdelijk naar de Bernhardkazerne.


RAM-tank.

Zoals hierboven al bleek was in Indië het KNIL weer opgericht met behulp van nog aanwezig Europees en Inlands personeel en van pantservoertuigen voorzien uit geallieerde dumps. Tenslotte beschikte men over een vijftigtal Stuart tanks, een dozijn Stuart Recce voertuigen (Stuart onderstellen voor verkenningsdoeleinden) en vier Valentine brugleggers. Ook de White scoutcars en zelfs enige Marmon-Herrington's doken weer op. Met de pantserwielvoertuigen werd een pantserauto-peloton opgericht. Een van de bij de souvereiniteits-overdracht achtergelaten Stuart tanks kwam in 1978 als geschenk van het Indonesische leger naar de Historische Verzameling Cavalerie in Amersfoort.


Stuart tank.

Was tot nu toe de organisatie en uitrusting van de landmacht Engels georiënteerd, de deelname aan de North Atlantic Treaty Organization (NATO) noodzaakte om tot een Amerikaans georiënteerde organisatie en uitrusting over te gaan. Deze overgang vond plaats in de eerste helft van de vijftiger jaren.

De periode 1950-1965
Voorshands werden de aanwezige Sherman tanks aangevuld met uit het MDAP (Mutual Defence Aid Programme) verkregen Shermans, gebruikt voor het formeren van het Vierde Tankbataljon. Eén eskadron van dit bataljon had Shermans met een 76 mm kanon, de rest had tanks met een 75 mm kanon. De eskadrons bezaten 22 tanks (4 pelotons van 5 tanks en 2 staftanks).


Sherman tank M4A1.

Tevens werd er een verkenningsbataljon opgericht dat de formidabele gevechtskracht bezat van 3 verkenningseskadrons, 1 tankeskadron en 1 (houwitser) ondersteuningseskadron. In de organisatie van het verkenningsbataljon vond men de volgende pantservoertuigen:
-
-
-
-
-
-
lichte tanks Chaffee M24
halfrups White M5 met mortier
halfrups White M5 met tirailleurgroep/commandovoertuig
tanks Sherman 75 mm kanon
tanks Sherman houwitser 105 mm
Sherman bergingstanks


Halftrack M5.

Gedurende enkele jaren had men ook de rupscarrier M39 (het onderstel van de lichte tank M18) in de bewapening. Men wist inmiddels dat de Sherman tijdens de Tweede Wereldoorlog niet was opgewassen tegen de zware Duitse tanks en dus ook niet tegen de modernere Russische tanks. Bovendien waren de Shermans langzamerhand versleten. Vervanging was dus hoogst noodzakelijk.

Voorjaar 1953 arriveerde de eerste, eveneens uit MDAP-hulp verkregen, Centurion-tanks uit Engeland. Tevens werd een serie bergingstanks, genietanks en brugleggers verkregen die alle tot de familie Centurion behoorden. De Chaffee tanks en de halfrupsen bleven respectievelijk tot 1963 en 1966 in de bewapening van de verkenningseskadrons. Voordat de laatste Chaffee vervangen was, zijn vanaf 1959 tot 1963 nog Centurions bij de verkenningseskadrons ingedeeld geweest, hoewel deze tank daar bepaald ongeschikt voor was. Men kon echter niet anders, daar de Chaffee volkomen versleten was.


Chaffee M24 lichte tank.

In 1960 werd (helaas?) de organisatie van het verkenningsbataljon zodanig gewijzigd dat het tankeskadron en het houwitsereskadron verdwenen. Aardig is om te zien dat ook in die jaren werd gezocht naar een goedkope oplossing om ook buiten het oefenterrein met 'tanks' te oefenen. Bij 42 Zelfstandig Tankeskadron waren een aantal Lloyd carriers ingedeeld, voorzien van een houten opbouw, zodat zij in de verte op een tank leken. Later, eind vijftiger jaren, gebruikten 41 en 101 Tankbataljon DAF YA-326 vrachtauto's met hardboard zijschotten voor hetzelfde doel. Na enige regenachtige oefendagen of een rit door een bosrijk gebied was er uiteraard niet veel meer over van het tanksilhouet.

Overigens dient vermeld te worden dat nog gezocht is naar de mogelijkheid de oude Shermans nuttig te gebruiken. Daartoe zijn proeven uitgevoerd met het inbouwen van de torens in betonnen bunkers van de nieuw aangelegde IJssel-linie en bij het bunkercomplex van Kornwerderzand. In 1959 deed zich in een dergelijke koepel bij Kornwerderzand tijdens proefschieten een ongeval voor waarbij twee onderofficieren van de Technische Dienst om het leven kwamen. Aangezien kort daarna de NATO haar verdediging verder naar het oosten verlegde, is het bij proefnemingen gebleven.


Centurion Mk 5/2 met 105 mm kanon.

De periode 1965-1983
Deze periode zag een grootscheepse modernisering van de Koninklijke Landmacht, die tot uitdrukking kwam in een vrijwel algemene mechanisatie van de gevechtseenheden. Daarvoor waren twee belangrijke redenen. Allereerst moest de mobiliteit van de landmacht drastisch worden opgevoerd omdat haar oorlogstaak langs het IJzeren Gordijn kwam te leggen. De NATO kon en moest tot deze voorwaartse verdediging overgaan omdat haar kracht was toegenomen door het toetreden van de Bondsrepubliek Duitsland, wier grondgebied eveneens zo goed mogelijk tegen agressie beschermd diende te worden. Ten tweede waren het tactische kernwapen en de chemische strijdmiddelen tot een zodanige ontwikkeling gekomen, dat een verdediging in statische opstellingen niet meer mogelijk was. Het verdedigend gevecht moet beweeglijk gevoerd worden, waarbij de gevechtseenheden in grote ruimten snel moeten kunnen concentreren, het gevecht voeren en weer verspreiden. Gelet op de dreiging van de genoemde moderne strijdmiddelen, alsook op de kracht van de artillerie van het Warschau Pact, moeten de eenheden een maximum aan mobiliteit, vuurkracht en bescherming bezitten. Tot op heden (redactie: lees 1984) kan alleen het pantservoertuig op rupsen aan deze eisen voldoen. De landmacht ging, evenals de gehele NATO, over tot mechanisatie.

Nu past het in dit artikel niet de ontwikkelingen bij de andere Wapens, hoe belangwekkend zij ook overigens zijn, te volgen en dienen we te blijven bij de cavalerie. Vanaf 1963 werden de tanks van de verkenningseenheden vervangen door de Franse AMX-13 met 105 mm kanon.


AMX-13 met 105 mm kanon.

Dit was een gelukkige keuze, daar de infanterie en de artillerie pantservoertuigen kregen die tot dezelfde voertuig-familie behoorden, zodat er sprake was van een zekere standaardisatie. Overigens kregen de anti-tank batterijen van de brigade, later de anti-tank compagnie, eveneens de AMX-13. Het spreekt vanzelf dat de verkenningsjeeps, kwetsbaar als zij waren, uit de verkenningseenheden moesten verdwijnen. De firma DAF ontwikkelde een gepantserd wielverkenningsvoertuig YP-104 dat uitvoerig beproefd werd. De terreinvaardigheid bleef echter achter bij die van een rupsvoertuig en bovendien was de YP-104 niet amfibisch.


DAF YP-104

De keuze viel tenslotte op de Amerikaanse M113 C&V, die tot een gehele familie van gepantserde voertuigen behoorde. Aanvankelijk was de M113 C&V uitgerust met een mitrailleur .50 inch, vanaf 1976 met een 25 mm machinekanon. De halfrupsen verdwenen en daarvoor in de plaats kwamen de M113 A1 (tirailleurgroep) en M106 (mortierdrager), terwijl voor de commandovoering en berging respectievelijk de M577 en de M578 hun intrede deden. Bij de verkenningseenheden werd zodoende een grote mate van standaardisatie op voertuiggebied bereikt.


M113 C&V (Commando & Verkenning) met 25 mm kanon.

De tanksterkte werd in 1968 drastisch uitgebreid met de invoering van 468 Duitse Leopard-1 tanks, die een nieuwe dimensie aan het begrip beweeglijkheid gaven. Zij vervingen echter slechts een deel van de Nederlandse tankvloot. Het langer aanhouden van de helft van het Centurion bestand noodzaakte echter wel tot verbetering van de vuurleiding van het 105 mm kanon en de invoering van een .50 RMG (Ranging Machine Gun) voor deze tanks. Tenslotte werden in 1980 nog 445 Leopard-2 tanks aangeschaft, die zowel de laatste Centurions als de AMX-13 hebben vervangen. Wederom een grote stap voorwaarts voor wat betreft mobiliteit, bescherming en vuurkracht. Tevens werd in die periode een verbeteringsprogramma gestart met het doel de gevechtswaarde van de Leopard-1 aan te passen aan de toen geldende eisen (nieuwe naam: Leopard-1-Verbeterd). Het invoerprogramma voor de Leopard-2 en Leopard-1-V moet in 1986 zijn voltooid.


Leopard-1 NL tank met 105 mm kanon.

Nabeschouwing
Zoals gebleken heeft de cavalerie zich (op het moment van schrijven: 1984) bijna gedurende vijfenveertig jaar bezig gehouden met het pantservoertuig, dat sedert de laatste wereldoorlog een duidelijk dominerende rol bij ons Wapen is gaan spelen. Thans kan worden gesteld dat wij beschikken over het modernste en meest geavanceerde assortiment gevechtsvoertuigen dat verkrijgbaar is. Dat dwingt de moderne cavalerie-officier er echter toe zich behalve in tactische zaken, ook te bekwamen in en oog te hebben voor de technische aspecten die met de ontwikkeling en het gebruik van moderne pantservoertuigen samenhangen.


Leopard-2A4 NL tank met 120 mm kanon.

Door het juiste te doen, vreest gij niemand.
U doet pas het juiste als u regelmatig deze site bezoekt.