Nieuws van de Wapenoudste




12 oktober 2011

VAN DE WAPENOUDSTE

Hoe gaan we om met onze regimenten?

De V.O.C. en de "overtolligheid van personeel".



Recent heb ik aan de commandant Landstrijdkrachten mijn visie kenbaar gemaakt hoe wij zouden moeten omgaan met onze cavalerieregimenten nu de laatste twee tankbataljons worden opgeheven. Dit advies is tot stand gekomen na overleg met de regimentscommandanten, enkele adviseurs en overige autoriteiten binnen de cavalerie. Wij zullen met RHvS en RHPO dezelfde weg volgen als enige jaren geleden met RHPA. Dat behelst in grote lijnen het ontbinden (en dus niet opheffen) van de twee zware cavalerieregimenten; het opleggen (en dus niet inleveren) van de standaards van die regimenten en het oprichten respectievelijk aanpassen van een vereniging en een stichting per regiment. Tevens zal elk opgelegd regiment een regimentscommandant hebben, daartoe aangesteld door commandant Landstrijdkrachten. In grote lijnen betekent dit dat de regimenten niet "verdampen" maar zichtbaar blijven; dat alle personeel zich kan blijven identificeren met dat regiment waar hij/zij zo'n lange tijd bij gediend heeft en daartoe gevolg kan geven aan momenten van samenkomst maar ook deel kan nemen aan die traditionele herdenkingsmomenten typisch voor dat specifieke regiment. Hiertoe zal die vereniging ook aansluiting vinden bij het Veteranenplatform. De stichting tenslotte draagt zorg voor het behoud en beheer van de "schatten" van dat regiment teneinde die onaantastbaar te behouden maar ook te gebruiken bij bijzondere gelegenheden. Commandant RHB heeft zich bereid verklaard, vanuit de eskadrons van zijn regiment, de overige regimenten bij te staan bij die herdenkingen en ceremoniën van de ontbonden regimenten zware cavalerie. Na besluitvorming op niveau Landstrijdkrachten en Defensiestaf/Bestuurstaf zal deze naar voren gerichte, pro-actieve, constructie worden aangeboden voor vastlegging door middel van een Koninklijk Besluit. Wij streven ernaar om die ontbinding ceremonieel waardig, transparant en openbaar, met veel gevoel en ook nog op korte termijn uit te voeren. Lang leve de ontbonden regimenten in hun nieuwe, levensvatbare, constructie! De l'audace, messieurs, toujours de l'audace!

De minister wil de landmacht fors kleiner maken en personeel ontslaan. Hoeveel en wanneer is tot op heden erg vaag. Maar zeker is wel dat het ook cavaleristen zal treffen. Wellicht zelfs vooral hen omdat onze tankbataljons verdwijnen waardoor het aantal geëigende "zware cavalerie functies" vrijwel nihil wordt. Het Bestuur van de V.O.C. is van mening dat juist op dit moment en op dit gebied de vereniging zich weer van haar waardevolle kant kan laten zien. Immers, wij koesteren die saamhorigheid die zo typisch is voor de cavalerie en die destijds door onze eerste voorzitter Six is genoemd als reden voor het oprichten van de vereniging! Wij prijzen ons immers gelukkig met een sterk bestand aan reservisten en voormalige beroepsofficieren die toonaangevende posities in het bedrijfsleven bekleden en nu de helpende hand kunnen bieden aan hun cavaleriecollega's. De V.O.C. hoopt een bemiddelingsrol te kunnen spelen tussen onze leden die defensie moeten of willen verlaten en die V.O.C.- leden die hen daarbij behulpzaam kunnen zijn met raad en daad. Noblesse oblige: dezelfde steun willen wij aanbieden aan de onder-officieren van ons Wapen die laten blijken zo'n steun op prijs te stellen.

Een kleine expertgroep onder leiding van brigade-generaal b.d. Ruud de Pruyssenaere de la Woestijne is al bijeengekomen om de uitvoerbaarheid te analyseren. Ik was daarbij aanwezig. Zij inventariseren thans wat gedaan kan en moet worden en pakken dit, zag ik, met voortvarendheid op. Maar het succes is natuurlijk volledig afhankelijk van de medewerking van onze V.O.C.-leden. En met uw hulp kàn het ook.

Ik kom hier later zeker op terug.


7 juli 2011

VAN DE WAPENOUDSTE

NEDERLANDSE LEGER ZONDER TANKS: EEN POGING TOT RECONSTRUCTIE


Het is er dan toch van gekomen: Nederland ziet af van het in eigen beheer hebben van het zware wapensysteem de tank. Nadat minister van Defensie en regering dit meldden op 8 april, debatteerde de Kamer hierover met de minister op 6 juni en stemde zij er mee in op 14 juni. Daarmee worden dus de beide tankbataljons in de komende jaren opgeheven, de cavalerieschool aangepast en de tanks opgeslagen dan wel verkocht indien daar vraag naar is. De vraag doet zich dan ook snel voor: hoe heeft dit zo kunnen gebeuren? Hebben wij (tankers, cavaleristen of nog breder, militairen behorende tot de manoeuvre en andere weldenkenden) het over ons afgeroepen? Wij werden vaak geconfronteerd met vooroordelen over de tanks, rondom het centrale thema dat de tank een relikwie zou zijn uit de Koude Oorlog. Dus nu: weg met dat ding. Maar die gedachte troffen wij bij de momenteel dienende commandanten van de landmacht niet aan. Zo gaf Commandant Landstrijdkrachten - die uiteindelijk zelf de keuze heeft gemaakt om de tanks uit te faseren - bij meerdere gelegenheden volmondig toe dat de afwezigheid van de tank een gat slaat in zijn operationele capaciteit. En dat dat allen pijn gaat doen. Waarom dan toch die tank afdanken?

Laten we eens kort terug blikken. Eind van de vorige eeuw en in de begin jaren 2000 begon de focus binnen de landmacht meer en meer te liggen op infanterieoptreden. Die capaciteit werd steeds noodzakelijker. Ook tankeenheden legden heel verstandig meer nadruk op het trainen van infanterie skills. Zij zetten zich op de markt als multirole. Deze trend werd niet door alle hogere commandanten begrepen en opgepakt waardoor de extra middelen die de tankeenheden nodig hadden voor die tweede taak bleven ontbreken. Zo werd de andere daarvoor gebruikte term Ersatzinfanterie steeds meer een minder positief begrip. Er kwam meer nadruk te liggen bij het trainen voor Optreden in Verstedelijkte Gebieden (OVG). En dat nieuwe zwaartepunt werd weer gevoed door de argumenten van Generaal Rupert Smith met zijn begrip War amongst the People. Opnieuw zagen tankbataljon commandanten hier hun kans en traden proactief op. Zij probeerden op alle manieren hun tanks op sectie- en pelotonsniveau te koppelen aan oefenende infanterie op momenten dat die de faciliteiten in het OVG gebied Marnewaard hadden toegewezen gekregen. Opnieuw was daarvoor niet al te veel begrip in de hogere staven. Tankeenheden kregen een lage prioriteit waar het ging om het toewijzen van faciliteiten op het Infanterie Schietkamp en in Marnewaard. Met de opstartende operaties in Afghanistan (Kabul 2002), Irak (2004) en vervolgens voluit in Afghanistan (Uruzgan 2006), werd de focus nu bijna volledig gelegd bij optreden te voet en immer in een beperkte ruimte. En door de uitzenddruk was er ook geen tijd en aandacht meer voor andere gevechtsvormen. Er waren derhalve veel minder grotere oefeningen waar tanks samen met hun pantserinfanterie konden trainen. Het tankoptreden verdween voor de brede militaire gemeenschap enigszins uit beeld.

Maar de tankwereld vocht opnieuw terug omdat zij in zichzelf geloofde. En al zeker in haar infanterie-ondersteunende rol. Zo leverde 101 Tankbataljon lichte infanteriegevechtspelotons die voor dat specifieke werk in Irak net zo getraind en voorbereid waren als hun collega's van de pantserinfanterie. De commandant van die Battlegroup liet zich later meer dan lovend uit over het optreden van die tankers. Het was ook deze commandant die halverwege zijn inzet aan Den Haag verzocht om te kunnen beschikken over tanks. De strijd in de straten van Samawah en Rumaytah tijdens de zogenaamde Al Sadr opstand verhevigde in juni 2004 en vroeg om zwaardere middelen. Derhalve zag hij goede mogelijkheden om zijn dualrole huzaren die immers al deel uitmaakten van zijn eenheid, in geval van verhoogde spanning, de tanks te laten bemannen. De Defensietop reageerde kortzichtig, afwijzend. Een jaar later werd de redeployment van alle Nederlandse eenheden in Irak beveiligd door opnieuw huzaren van 101 Tankbataljon, optredend met hun vertrouwde jeeps. Goed optreden en veel complimenten, maar nog steeds was de tank als wapensysteem niet in beeld! Dus werd op alle niveaus door tankers, vaak met collega's en met hun commandanten, die bijzondere aspecten van de tank als wapensysteem besproken. Er verschenen articles en editorials over die nieuwe en zinnige rol van de tank in onze veranderende doctrine en wijze van optreden, in bladen als de Militaire Spectator. Het blad Infanterie wijdde een hele uitgave aan dit onderwerp op een open positieve wijze. Op V.O.C. symposia was meerdere male de focus op het optreden met tanks in een stadsgevecht en in een counterinsurgency. Doelbewust werden daar ook niet-cavaleristen uitgenodigd. Het was een periode van het openen van ogen, vooroordelen wegwerken en overtuigen.

In september 2005 werd de aanloop gemaakt van wat later de inzet in het kader van ISAF zou worden. De toenmalige Commandant Landstrijdkrachten had zijn brigadecommandanten om zich heen verzameld. Hij vroeg advies betreffende de samenstelling van de te formeren eenheid. Welke mix aan middelen moest hij gaan voorstellen aan de CDS. Drie van de vijf brigadecommandanten spraken zich expliciet uit om enige tanks als ondersteunend wapensysteem op de lijst te zetten. Het is er niet van gekomen. Later, gaandeweg de uitvoering van de operatie, kwamen vanuit het veld diverse malen signalen dat bij een piek in gevechten die tanks erg gemist werden. In de zomer van 2008 kwam de Commandant der Strijdkrachten op bezoek in Kandahar. Ik had inmiddels met eigen ogen het terrein en de aard van optreden in alle provincies van Zuid-Afghanistan gezien en geanalyseerd. Mijn conclusie was toen dat inzet van enige tanks in een ondersteunende rol op vele plaatsen prima mogelijk was en ook een enorme toegevoegde waarde zou hebben in dat optreden. Een hele avond hebben wij toen met kaarten, schetsen en voorbeelden van afgelopen gevechten die inzetopties besproken. De CDS was overtuigd. Maar na terugkeer in Den Haag werd het bevel niet gegeven. En zo hebben wij - ik zeg héél uitdrukkelijk als landmacht - de kans voorbij laten gaan om de tank samen met haar bemanning door daadwerkelijke inzet zichzelf te laten bewijzen. Accuraat. Precies. Overweldigend. IED-proof. Levensreddend. Het heeft waarachtig niet aan die tankers en aan veel collega pantserinfanteristen gelegen. Maar zoals altijd: de laatste missie wordt de norm. En de tank zit bij veel mensen die niet diepgaand nadenken, niet bij die norm.

Twee jaar later wordt de omvang van de dreigende bezuinigingen duidelijker. Natuurlijk wordt er door veel cavaleristen in de staven en in de lijn gepolst hoe de vlag er voor de tanks bij staat. Commandant Landstrijdkrachten laat al vroegtijdig blijken dat hij in geval van onoverbrugbare financiële nood, met tegenzin maar wel overtuigd, het tankbestand zal opofferen. De meningen binnen de landmacht en binnen de defensiestaf zijn verdeeld. Slechts weinigen twijfelen aan het bestaansrecht van de tank als wapensysteem. Een halfzachte poging om binnen staf CLAS te komen tot de al jaren gevraagde "studie manoeuvrebataljons" waar pantserinfanterie en tanks gezamenlijk onder één bevel dienen, wordt halfzacht opgestart en haalt de status van concept nog niet eens. Er is géén wil in de topleiding. Via andere wegen wordt harder aangedrongen op het behouden van tankpelotons en die in de structuur van de pantserinfanterie te krijgen. Ook hiervoor ontbreekt de wil bij de topleiding. En uiteindelijk komt dan in het advies van Commandant Landstrijdkrachten te staan dat - puur vanwege het financiële tekort - onder meer alle tanks zullen worden stil gelegd en later afgestoten. De inruilprijs is circa negentig miljoen euro. En daarvoor wordt een totaal systeem weggevaagd. Dit komt dan ook zo in de brief van de minister aan de Kamer van 8 april.

De Wapenraad Cavalerie komt bijeen en bespreekt de vraag op welke wijze wij het tegenoffensief zullen voeren. Wie te benaderen? Welke aspecten naar voren te brengen? Wij vragen advies bij enkele leden V.O.C. met grote ervaring in de politiek. En vervolgens gaan we met een aantal cavaleristen én collega-pantserinfanteristen praten met Kamerleden. Veelal binnen het eigen respectieve netwerk maar wel gesynchroniseerd qua boodschap en focus. Uiteindelijk worden alle fracties van regering en gedoogpartner bezocht, en ook een aantal oppositiepartijen. Wij laten na zo'n gesprek een notitie achter met onze argumenten. Dat wordt in dank aanvaard want zo groot is de kennis en inzicht betreffende de consequenties van de gigantische bezuinigingen op Defensie niet. Wij treden met onze opvattingen naar buiten in twee televisie uitzendingen en in twee prominent geplaatste stukken in NRC en Volkskrant. Dan komt op 23 mei het ronde-tafel gesprek georganiseerd door de Vaste kamer Commissie voor Defensie. Het wordt vooraf gegaan door het indienen van vragen over die bezuinigingen aan de minister. Diverse fracties worden door ons geholpen met die vragen. Uiteindelijk worden er 467 vragen gesteld: een zeldzaam hoog aantal! Het geeft al aan dat de Kamer wel degelijk geëngageerd is. Diverse experts op het gebied van Buitenlands Veiligheidsbeleid vertellen de Kamerleden dat het buitengewoon onverstandig is om afscheid te nemen van de tanks. De Bevelhebbers die ook gehoord worden, vertellen het bekende politiek correcte verhaal: "jawel, het is een gevoelige aderlating maar we kunnen de taken nog aan!". Langzamerhand wordt helder welke fracties warm willen lopen om een deel van de slagkracht - waaronder tanks - te behouden en welke fracties totaal andere belangen nastreven. Steeds meer wordt nu het argument "wij willen de tanks afstoten omdat er geen politieke wil is om ze in te zetten". Let wel: het operationele nut en de noodzaak om de tank te ontplooien in huidige en toekomstige missies wordt niet meer ter discussie gesteld. Commandant der Strijdkrachten bevestigt dit nog eens naar één van de Kamerleden als hij toegeeft dat de Landmacht destijds gevraagd heeft om tanks mee te nemen naar de missie in Afghanistan. U weet nog wel, die "opbouwmissie". Dat werd toen geweigerd omdat er geen "politiek draagvlak" voor zou zijn. Analisten en commentatoren als Homan en de Wijk beamen dat "de Leopard II A6 slachtoffer is van politieke correctheid" en dat Nederland zonder tanks niet meer serieus genomen zal worden. Later in het Notaoverleg op 6 juni zal de VVD woordvoerder zijn volledige instemming om alle tanks af te schaffen beargumenteren met zijn constatering dat "ze toch niet worden ingezet vanwege dat ontbreken aan politieke wil", hetgeen hem op een scherpe interventie van een kleine oppositiepartij komt te staan. Want: "die politieke wil bepalen wij hier in de Kamer toch?" Door ons wordt in deze laatste 2 weken voorafgaand aan het definitieve overleg met de minister nog eens dóórgepakt. Het wordt steeds duidelijker welke partijen ons in onze argumentatie steunen en de partijen die van onze alternatieven niets willen horen. Ook het ministerie van Defensie wenst niets te zien in onze voorstellen om een aantal tanks te behouden waarbij diepgaande samenwerking met onze Duitse collega's garant kan staan dat de beoogde bezuinigingen toch gehaald worden. Creativiteit en positief in oplossingen denken is daar ver te zoeken. Door ons wordt zelfs meegeholpen aan het opstellen van ( concept)moties gericht aan de regering voor het debat op 6 juni. Dan verschijnen op 3 en 4 juni ook nog twee pagina grote artikels van onze hand in NRC en Trouw. Uit enthousiaste en opbeurende reacties blijkt dat ook veel V.O.C. leden die gelezen hebben. De dag van het debat zelf is een anticlimax. Op zich goede en zinvolle betogen van de Kamerleden welke gevolgd werd door een chaotische, bagatelliserende en onsamenhangende reeks antwoorden van de minister. Uiteraard werden vele aspecten van zijn bezuinigingen besproken, maar bij het onderwerp de tanks was zijn antwoord op elke suggestie: Njet. Hij wenst gewoon niet te bewegen. Met de mededeling dat er nu eenmaal door "ons" besloten was de tanks af te schaffen. Van hem geen verdere toelichting of redenatie. Exit zware Nederlandse cavalerie. Aan het einde van die zeer lange dag werden nog vele moties ingediend. Enkele daarvan gingen heel concreet en heel direct over het behoud van een beperkt aantal tanks. Maar in lijn met het beeld wat in de loop van de maand mei duidelijker werd en de onbuigzame opstelling van de minister, werden die moties uiteindelijk onvoldoende gesteund door overige fracties. En hiermee kwam een einde aan een langdurige en intensieve inzet om krijgsmacht én samenleving te behoeden voor een onomkeerbare en foute beslissing: het uitfaseren van alle tanks uit de krijgsmacht.

Wat hebben we dan wel bereikt? In ieder geval dat er over gedebatteerd is. Dat onzinnige vooroordelen bestreden zijn. Dat besluitvormers en volksvertegenwoordiging in heldere bewoordingen hebben kunnen vernemen welke risico's wij in komende operaties gaan lopen. Later is er voor hen geen weg terug. Zij hebben die risico's aanvaard en dragen er verantwoording over.

Vanaf nu wordt het dus weer vóóruitkijken. Wij moeten immers verder. Hoe gaan we om met onze mensen? Hoe gaan we om met het cultureel erfgoed en de tradities van de tankbataljons en de Regimenten die het betreft? Hoe gaan wij die specifieke tankkennis en ervaring in het optreden met zware middelen in de manoeuvre vasthouden en invoegen in de pantserinfanterie? En wellicht is het met het Canadese voorbeeld voor ogen handig om ons te realiseren dat op enig moment die tankexpertise wederom gevraagd wordt. Iets wat we kunnen oppakken. Het gaat dus om behoud. Behoud van kennis, expertise en de esprit die zo eigen is voor de cavalerie. Dan praat je ook snel over het behoud van die typische saamhorigheid. Teneinde gereed te staan wanneer men ons weer nodig heeft. Wellicht op een totaal ander wapensysteem maar om dezelfde effecten te bereiken.

Binnen de V.O.C. zullen wij zeker eveneens de koers moeten verleggen. Waren we de afgelopen tien jaar erg succesvol met het verwelkomen van de jonge officieren, nu zal die bron van nieuwe leden met meer dan de helft opdrogen. Gaan wij door met het publiceren van informatie en artikelen over manoeuvre en tankoptreden? Of beperken we ons qua vakliteratuur tot de verkenningswereld? Misschien richten wij ons weer geheel en alleen op wat de focus destijds bij de oprichting van de V.O.C. was: elkaar ontmoeten en spreken teneinde de saamhorigheid te bevorderen.

Wij hebben in de afgelopen jaren met vele cavaleristen, culminerend in de maanden van dit voorjaar, vóór en achter de schermen, de strijd gevoerd. Met argumenten, met alternatieven, met proactieve voorstellen, teneinde de waarde van de tank op het veld, ook in de huidige tijd, aan eenieder duidelijk te maken. Daar kan de Cavalerie trots op zijn. Het verhaal gaat niet als een nachtkaars uit. De operationele boodschap is ook goed aangekomen. Uiteindelijk ging het om eenvoudig, bot en blind snijwerk vanwege een financiële noodzaak. En dáár helpen geen rationele argumenten tegen.

Bonsoir mes amis, bonsoir

Quand on est si bien ensemble

Devrait-on jamais

Se quitter!


16 juni 2011

EEN RECEPT VOOR FALEN:
DEFENSIETOP IN EEN VERTROUWDE ROL.


Op 8 april jongstleden melde Minister van Defensie Hillen aan de Tweede Kamer hoe hij de hem opgelegde bezuinigingen wil bereiken. Een gigantisch bedrag van ruim 1 miljard.

De Minister maar ook Commandant der Strijdkrachten van Uhm benadrukte in de aanloop van het proces keer op keer dat de kortingen met prioriteit zouden gaan plaats vinden bij de veel te grote en omvangrijke staven in Den Haag.

Het afslanken en weer gezond maken van die bureaucratie noemde men dan ook terecht Spoor 1. Indien dat onvoldoende zou opleveren zouden de ondersteunende diensten en staven onderwerp worden van snijden. Men noemde dat Spoor 2. En ja, indien dat tezamen nog steeds niet de vereiste financiële ruimte zou geven, zouden ook die operationele eenheden moeten worden terug gebracht in kosten: Spoor 3 uit de brief van de Minister. In bedrijfsvoeringtermen: Spoor 3 bevat als enige de elementen die de uiteindelijk gewenste productie leveren: veiligheid in inzetgebieden en steun bij nationale operaties in Nederland. De elementen uit Spoor 1&2 scheppen de voorwaarden. Welaan, dat gaf dus vertrouwen. Het leek een gezonde aanpak.

Houdt de productiemaatschappijen overeind en bezuinig op de "overhead". Defensie zou nu eindelijk eens de trap van boven beginnen schoon te vegen: vernieuwend en verfrissend. Vervolgens op 8 april een grote schok. Wat blijkt? De maatregelen uit Spoor 3 zijn volledig uitgewerkt terwijl de maatregelen uit Spoor 1&2 slechts erg globaal beschreven worden.

Natuurlijk is het wegschrappen van elementen uit de productie makkelijk. Het gaat om herkenbare bouwstenen waarvan de kosten en baten bekend zijn. Het identificeren van te verwijderen delen uit de grote staven en ondersteunende diensten is veel moeilijker.

Allereerst omdat niemand kan aangeven wat een bepaald element uit die bureaucratie nu oplevert in operationele productie, maar ook omdat de plannenmakers voor deze bezuinigingen juist in diezelfde staven huizen. Men vraagt van die mensen om boven zichzelf uit te stijgen en in veel gevallen hun eigen bureau of functie op te heffen en zichzelf overtollig te maken.

Op 6 juni aanstaande vindt er een Notaoverleg plaats tussen Minister en Parlement. Daar zal de Minister instemming vragen voor zijn op 8 april gepresenteerde bezuinigingsplannen. Maar het enige waar dan echt inhoudelijk over kan worden gesproken is het snijden in de operationele slagkracht. Spoor 3 ofwel het laaghangend fruit.

Waar en hoe de bezuinigingen gaan plaats vinden in de bureaucratie is allerminst uitgewerkt en kan dus niet zinvol worden besproken. En dat nu is voor vele die dienen bij Defensie meer dan verontrustend. L'Histoire se répète.

Een herhaling van zetten zoals ook in 2003. Ook toen was een minister aan getreden met de opdracht zware bezuinigingen door te voeren. Ook toen werd als eerste de kortingen gevonden door het wegsnijden van productiemaatschappijen.

Zo werd binnen de landmacht de 41e Gemechaniseerde Brigade opgeheven. Dit werd als een gevoelig en pijnlijk verlies ervaren, maar de minister kwam het uitleggen. Daartoe sprak hij ook met de medezeggenschapcommissie van de brigade en de samenleving daaromheen.

Die vertegenwoordiging van alle rangen en standen maakte het de minister niet gemakkelijk. Het waren die huzaren, soldaten en (onder)officieren die alsmaar niet konden begrijpen dat zij, die het zware werk moesten doen ver van huis, wegbezuinigd werden terwijl de bureaucratie in stand bleef.

Maar nu schoot minister Henk Kamp toch uit zijn slof. Enigszins verhit stelde hij met kracht dat die Haagse staven zeker ook afgeslankt werden, gerealiseerd uiterlijk in januari 2007. Kamp was integer en geloofde er echt in. Maar het is uiteindelijk toch niet zo uitgevoerd.

Het Parlement heeft ook nimmer een inzichtelijk overzicht ontvangen waaruit zou kunnen blijken welk effect die destijds voorgenomen afslanking bij die staven dan wél heeft gehad. Je zou zeggen van niet veel, want anders hadden we nu niet zo'n probleem.

Kortom: die soldaten daar bij die opgeheven brigade hadden terecht weinig vertrouwen in de beleidsvoornemens van de top. Is het nu anders? Wij zitten bij het ministerie grotendeels met dezelfde ambtelijke top als destijds in 2003. Toen hebben ze de voorgenomen afslankingen bij hun eigen staven niet gerealiseerd. Nu anno 2011 dan wel? Hoe kunnen wij het nu beter doen? Het Parlement kan pas een oordeel vellen als de maatregelen uitgewerkt, toetsbaar en in onderlinge samenhang integraal beschouwd kunnen worden.

Op 6 juni bij het Notaoverleg gaat dat dus zeker niet lukken. Daardoor komt ook niets meer terecht van dat eerdere voornemen: eerst de grote staven en indien het niet anders kan de operationele slagkracht. Hierdoor lijkt ook deze operatie tot mislukken gedoemd. In geval van acuut tekort aan financiën, volg dan de engelse aanpak en zet tijdelijk een aantal eenheden stil. Maar stem op 6 juni 2011 zeker niet in met onomkeerbare maatregelen uit Spoor 3.


Auteurs:

Jhr. J.H. de Jonge, Generaal-majoor b.d. der Cavalerie. Langdurige en brede internationale ervaring met inzet van Nederlandse en multinationale militaire eenheden in vredesoperaties. Gedurende drie jaar de belangrijkste herstructureringsprojecten van de KL gecoördineerd.

J.L. Vermeulen, Brigade-generaal b.d. der Infanterie. Eveneens langdurige en recente ervaring als projectofficier Herstructurering Koninklijke landmacht.
Momenteel voorzitter van de Nederlandse Officieren Vereniging.


16 juni 2011

MLADIC, VOORHOEVE EN HILLEN

Het bericht dat generaal Ratko Mladic was gearresteerd sloeg in als een bom. Eenieder zal het op zijn of haar eigen wijze hebben beleefd, ja zelfs herbeleefd. Nabestaanden, veteranen, verantwoordelijke militairen en politici. Je kon er ook niet omheen: gedurende de hele dag, en ook in de dagen erop volgend werden op de televisie in een eindeloze herhaling die vreselijke beelden uitgezonden.

Destijds in 1995 werden wij stil bij het zien van die indrukken. Het was die indringende radeloosheid van opgejaagde burgers. Zelfs in de huiskamer kon je dat bijna ruiken. Je voelde je beschaamd en stil.

Maar tegelijkertijd was daar die indringende machteloosheid. Want dat straalde van die Nederlandse militairen af. Een veel te grote blauwe helm op een smal hoofd. Slanke, ja haast magere, ontblote armen die als sprietjes uit een zwaar en log scherfvest staken. En veelal een blik in de ogen van die jonge onervaren soldaten die uitdrukten: "wat gebeurt hier in godsnaam allemaal". Daar stonden ze dan, outmaneuvered en outgunned.

Toen het erop aan kwam was er geen steun van anderen, waren er onvoldoende adequate wapensystemen, was er vrijwel geen vuurkracht. Samengevat, het bataljon had géén tanden. Je kunt als infanteriebataljon vreselijk goed getraind zijn, maar als je niet de juiste mix van wapensystemen ter beschikking hebt, begin je al met een achterstand op technisch, tactisch en mentaal vlak. Je staat al op nadeel. In die beelden van destijds komen naast de radeloze burgers en de machteloze Nederlanders ook de betrokken Bosnisch-Servische soldaten prominent naar voren.

Wij zien een paar tanks van hen, een paar stukken geschut en wat infanteriegevechtsvoertuigen. Het zijn allemaal oude barrels waar je geen cent voor zou geven. Op dat moment al met een leeftijd van een halve eeuw en zeker geen hoogwaardige technologie.

Ongetwijfeld erg langzaam en zeker volslagen onnauwkeurig met hun kanonsystemen. Maar ze stonden daar wel en konden door hun bepantsering incasseren, met één schot een Observatie Post (OP) wegvagen, op hun rupsbanden een geblokkeerde weg verlaten en het naastliggende terrein gebruiken om voorwaarts te gaan.

Zelfs zo'n oude tank heeft een pacificerende werking: de ander voelt zich erg klein worden. Er was nóg een reden waarom bij het opnieuw zien van die beelden onze tenen gingen krullen. Wij zagen daar een terrein dat zich bij uitstek leende om met de superieure Nederlandse Leopard tank die oude Servische barrels op een afstand van drieduizend meter met één schot weg te vagen.

Bij elke schreeuw om hulp van een OP waar op dat moment zo'n Servische tank opdook, had de Leopard tank vanwege zijn gigantische mobiliteit en kracht snel ter plaatse kunnen zijn en de machtsbalans onmiddellijk in ons voordeel kunnen beslechten.

De aanwezigheid van slechts een paar tanks voor dat Dutchbat, had de inval gestopt, de slachting onder de burgers voorkomen en de wereldgeschiedenis veranderd.

Wij zullen nooit meer Nederlandse militairen zo'n uitzichtloze, ingesloten omgeving inzetten. Maar de mogelijkheid dat Nederlandse militairen toch in een situatie verzeild raken waar een soortgelijke onbalans in krachtenverhouding en zwaarte van wapensystemen plots blijkt, kan men niet uitsluiten. Het gaat hier om de onbalans in "tanden".

Neem nu het voorbeeld Libië. De "opstandelingen", komen zonder steun geen meter verder vanwege de tanks die het Libische leger heeft en inzet. Zelfs de oppermachtige NATO luchtmacht brengt daarin niet snel verandering.

Het is die balans in gevechtskracht op de grond die als altijd doorslaggevend is. De tank heeft daarin een rol! Veelal een cruciale rol hoewel we niet eens spreken over grote aantallen.

En let op: er zijn veel locaties bijvoorbeeld op het Afrikaanse continent waar milities beschikken over enige tanks.

Even terug naar de beelden op de televisie op die dag van arrestatie. Voormalig minister Voorhoeve is prominent in beeld. Ergens in één van de vele gesprekken stelt hij de zelfreflecterende vraag: "Wat had ik in vredesnaam binnen de regering nog meer kunnen doen". Wij zouden zeggen, toen weinig meer, waarde Voorhoeve. Maar nú wel.

Immers, toen hadden wij tanks ter beschikking maar hebben ze niet aan onze infanteristen meegegeven. Indien we dat wel hadden gedaan, was de geschiedenis drastisch anders verlopen.

Wij zullen geen "enclave situatie" meer hebben, maar wel nog momenten van inzet waar de tank broodnodig is. En wat zien we dan nu? Juist in de week nadat wij ons dat door die beelden uit Srebrenica weer realiseren, gaat minister Hillen op 6 juni aan de Kamer instemming vragen om alle tanks maar geheel af te schaffen! Dan hebben we niet eens de mogelijkheid meer om ze toe te voegen in steun aan de infanterie.

Zijn we nu allemaal dan echt zo kort van geheugen? Zien we dan niet dat "anderen", evenals in 1995, ook nu niet gegarandeerd ons te hulp komen? Dat we daar niet van afhankelijk moeten willen zijn? Hebben we dan echt niet geleerd dat wij van eigen kracht moeten uitgaan? Gaan we dan opnieuw als leidinggevenden onze jonge soldaten weer in zo'n machteloze positie brengen?

Voormalig minister Voorhoeve, wat u dan in vredesnaam zou kunnen doen, is even praten met minister Hillen. Zijn plan om de laatste tanks die we nog hebben uit te faseren is waanzin. Het brengt het overleven van Nederlandse militairen extra in gevaar. Wellicht nog erger: het maakt hen machteloos. En andere die van hen afhankelijk zijn, radeloos.


Auteurs:

Jhr. J.H. de Jonge; Generaal-majoor der Cavalerie b.d.
Veelzijdige internationale operationele ervaring zoals in UNPF Yougoslavie 1995, NATO Task Force Fox in Macedonie in 2002 en ISAF Regional Command South Kandahar Afghanistan in 2008.

J.L. Vermeulen; Brigade-generaal der Infanterie b.d.
Voorzitter Nederlandse Officieren Vereniging.


16 juni 2011

Wapenoudste der cavalerie

'Geen Tanks: een onverstandige handicap'

Het stilzetten van de tankbataljons is een historische gebeurtenis voor het Commando Landstrijdkrachten. Generaal-majoor buiten dienst Harm de Jonge, wapenoudste der cavalerie, heeft er grote bedenkingen bij en kent de klasse van het tankpersoneel. In een open brief aan de landmacht geeft hij zijn duiding aan het verlies van de tanks.

'De "brandweer" van het gevechtsveld, dat is altijd de rol van de tanker geweest. Optreden met autoriteit en vuurkracht waar op korte termijn een oplossing geboden is. Of het nou een wachtmeester, luitenant of ritmeester betreft; die rol zit in de tanker verankerd. De cavalerist beheerst bij uitstek het denken in tijd en ruimte. Hij is een snelle, innovatieve denker. Hij moet altijd vijf of zes opties van optreden bedenken, uitwerken en kunnen uitvoeren en snel schakelen tussen die opties. Dat kenmerkt de hele tankwereld. Die focus op plannen maken, in de diepte kijken: dat maakt tankers anders dan hun broeders van de andere wapens en dienstvakken. Niet beter; anders. Het is dan ook zeer verstandig dat de andere wapens en dienstvakken gebruik blijven maken van deze bijzondere eigenschappen.

Er is in het verleden al vaak aan de zware cavalerie geknabbeld. Tijdens de Koude Oorlog, toen alle dreiging nog uit het oosten kwam, was de tank het belangrijkste wapen op het slagveld met de infanterie in de ondersteunende rol. Na het einde van de Koude Oorlog is dat allemaal veranderd. Het tankbestand werd - terecht - flink verkleind en het optreden van de landmacht kreeg een compleet nieuwe invulling. De focus kwam te liggen bij grondgebonden en luchtmobiele infanterie en het tankwapen werd gedacht een meer ondersteunende rol te hebben.
In het recente optreden, gedurende vredesbewarende stabilisatieoperaties en in een counterinsurgency of guerrillagevecht, kreeg de Leopard wederom een rol waarbij haar meerwaarde buiten kijf staat. Tijdens oefeningen Optreden Verstedelijkt Gebied (OVG) bijvoorbeeld, maar ook tijdens recente missies als IFOR en SFOR, hebben we de tanks altijd succesvol ingezet ter ondersteuning van de infanterie. En ook in de meest recente conflicten in Irak en Afghanistan waaronder de provincies in het zwaartepunt, Kandahar en Helmand hebben de belangrijkste troepenleverende landen hun tanks tot op heden ingezet. De Canadezen, Denen en Amerikanen hebben reeds begrepen dat de theorie dat de tank ook in de 21e eeuw een force mulitplier is, zeker ook in een counterinsurgency, opgaat.

De meerwaarde van het tankwapen in het counterinsurgency optreden is dan ook veelvoudig. Ten eerste de bescherming die het kan genereren voor de lichte infanterie en de enabelers. Immers zij dienen met patrouilles onder de bevolking aanwezig te zijn. Ten tweede de vuurkracht - alleen met een Leopard kom je bijvoorbeeld door een qualamuur. Ten derde vuurprecisie, de tank is hierin beter dan een F16 of Apache. Met de tank kun je zodoende collatoral damage optimaal vermijden. Dat hebben onze partners in Afghanistan goed begrepen. Ten vierde is de aanwezigheid van een tank bovendien al erg overweldigend. We hebben in Bosnië gezien dat we alleen al met het binnenrijden van een dorp vaak bedreigingen wegnamen. Gevechten of ongeregeldheden vonden gewoonweg niet plaats omdat er een tank kwam aanrijden. De tank is aantoonbaar een pacificator die altijd 24/7 aanwezig kan zijn op patrouilles. Let wel, het gaat er hier niet om dat andere middelen niet goed zijn. Het gaat erom dat jonge operationele commandanten alle zware middelen beschikbaar moeten hebben (Tanks, Pantserhouwitser, Apache, CAS) om complementair te kunnen inzetten ter ondersteuning van de infanterie. Counterinsurgency win je niet in de lucht.
De rol van de tank is mijn inziens dus zeker niet uitgespeeld, verre van dat, het heeft zich aangepast aan een vorm van optreden die nu nodig is. Niemand kan voorspellen hoe de wereld er over vijf jaar uitziet. Zie de Canadezen, het tankwapen was daar uitgefaseerd maar zij zijn met rasse schreden teruggekomen toen men onderkende dat de tank in een counterinsurgency in Kandahar nodig was. Nu is Afghanistan en onze inzet in Uruzgan niet per definitie de maatstaf. Dreigingen zijn er voldoende, inzet van de krijgsmacht is nog altijd een verantwoordelijkheid van politiek Nederland. Daarom moet, zoals het rapport Toekomstverkenningen aangeeft, er een veelzijdig inzetbare krijgsmacht zijn. Welnu, dit is met deze maatregel om zonder tanks door te gaan, niet meer het geval, waarmee wij ons land onnodig tekort doen.
De tank had nog levensreddend kunnen optreden voor onze broeders van de infanterie. Die mogelijkheid valt nu ineens weg. Ik ben de eerste om te erkennen dat we de beschikking hebben over goede andere wapensystemen. De keuze van het CLAS om de tank te schrappen en haar taken deels op te laten vangen door de CV90, Pantzerhouwitser en Apache gevechtshelikopter, is duidelijk. Maar dat gaat alleen goed werken als we altijd een mix van alle drie systemen tegelijker tijd kunnen inzetten. Iets wat niet gegarandeerd kan worden.
Als hoofdreden wordt de bezuinigingen aangehaald. Wij moeten ons realiseren dat de veelvuldige inzet van de Apache een vreselijk kostbare aangelegenheid is. Het heeft eraan bijgedragen dat de kosten van vier jaar Uruzgan zo uit de klauw zijn gelopen. Verder dient de doorontwikkeling van de CV90 waarvan sprake is, ook betaald te worden. Wat dat betreft is de huidige Leopardtank qua instandhouding én inzet juist buitengewoon kosteneffektief. In ieder geval in de komende tien jaar. Dat besef is wrang.

Het is niet verstandig dat het hele wapensysteem wordt geschrapt. We gooien een hele discipline uit ons leger die we goed kunnen gebruiken en die we nooit meer terug krijgen. De expertise die je nu hebt over tankinzet, de ervaring en de kennis; die is over een paar jaar uit de organisatie verdampt. Daarom is het ook doodzonde om nu zo snel de tanks weg te doen.
Een goed alternatief is, bijvoorbeeld de helft van het tankbestand te behouden en in te bedden bij de infanterie. Twee tankpelotons per pantserinfanteriebataljon bijvoorbeeld lijkt erg zinvol. Om op ontwikkelings-, herstel- en opleidingskosten te besparen, hadden we dan verder kunnen samenwerken met de Bundeswehr, die dezelfde tanks heeft en ons, mijn inziens graag had ondersteund. Ik vrees dat deze optie nooit grondig is onderzocht. Dat maakt het afscheid van de tanks nu extra pijnlijk.
Ik wil beslist niet overkomen als een oude, mopperende cavalerist. Dat ben ik ook niet, want als het beter zou zijn voor het CLAS en de NLD krijgsmacht, mogen ze van mij alle tanks er uitgooien. Traditie moet bestaansrecht hebben en elk wapen moet zijn waarde op het gevechtsveld hebben. Daar moet je altijd reëel in kunnen zijn. Maar ik ben een oud-militair met recente expertise in manoeuvreoperaties en counterinsurgency en ik weet oprecht dat we de tank niet moeten willen missen. Het beperkt ons onnodig in toekomstige vormen van optreden. Dat doet mij niet alleen als cavalerist pijn, maar vooral als voormalig officier van de krijgsmacht.

Het zijn sombere tijden voor de cavalerie. Toch wil ik tegen elke tanker zeggen: vertrouw op je eigen kwaliteiten. Tankers zijn over het algemeen wat rustiger en beschouwender. Zij die bij Defensie willen blijven, kunnen voor manoeuvre-eenheden een meerwaarde zijn dankzij deze eigenschappen. En zij die de dienst uitgaan, staan er dankzij hun technische kennis, hun expertise en karaktereigenschappen op de huidige arbeidsmarkt goed op. Dus: ga uit van eigen kracht.'


8 april 2011

HILLEN NEGEERT AFSPRAKEN REGEERAKKOORD


Op 8 april zal de minister van Defensie het Kabinet voorstellen aanbieden die ertoe moeten leiden dat de te behalen bezuinigingen ook bij het Ministerie van Defensie- het gaat hier om meer dan 1 miljard euro - gerealiseerd worden. Hillen sprak al eerder van "een zware dag voor Defensie". Het pakket van maatregelen bevat onder meer het uit de organisatie nemen van alle tanks van de Koninklijke Landmacht. Daarmee maakt Hillen het inderdaad wel erg "zwaar". Hoewel natuurlijk het vinden van ruimte voor deze ongeëvenaarde bezuinigingen bij een toch al sterk uitgewoonde Krijgsmacht per definitie leidt tot enorme dilemma's, getuigt deze maatregel van een pijnlijk gebrek aan visie en creativiteit.

In het regeerakkoord geeft de regering aan dat zij kiest voor een veelzijdig inzetbare krijgsmacht zoals deze beschreven is in het Eindrapport Verkenningen. Een keuze die door de meeste politieke partijen wordt ondersteund en die het best aansluit bij de huidige Krijgsmacht. Deze beleidsoptie sluit volgens de stellers van het rapport ook het best aan bij de onzekerheid over de toekomstige veiligheidssituatie. Breed inzetbare capaciteiten verdienen in deze beleidsoptie in beginsel voorkeur. Het is dan ook veelzeggend dat zelfs in de min-variant bij deze optie de tanks danwel tankeenheden niet worden genoemd om te worden opgeheven. Hillen wijkt nu dus aantoonbaar af van het regeerakkoord.

Heel duidelijk leeft bij een aantal mensen de perceptie dat de gevechtstank een relikwie uit de Koude Oorlog is. Niets is minder waar. Het tankwapen is weliswaar niet meer de koningin van het slagveld. Die sleutelrol ligt in het huidige en toekomstige landoptreden ontegenzeggelijk bij infanterie-eenheden. Deze moeten echter wel degelijk ondersteund worden door een wapensysteem als de tank; een volwaardig alternatief is er niet. Het adagium dat de commandant ter plekke in het veld moet kunnen beschikken over een "gereedschapkist" aan middelen - enige tanks, enkele helicopters, vuursteun etc. - heeft zich in het recente verleden volledig bewezen. Het is die, veelal jonge, commandant die in complexe situaties verantwoord afwegingen moet kunnen maken welke middelen hij inzet. Hij mag daarbij niet beperkt worden door het niet-voorhanden hebben van specifiek benodigde capaciteiten. De hartverscheurende les van Screbrenica 1995 in dit kader zijn we niet vergeten. Bij de operationele militair is dat inzicht zeker niet "weggezakt". De tank is onmisbaar in het huidige en toekomstige landoptreden.

De genoemde perceptie wordt versterkt door het feit dat nederlandse tanks sedert Bosnië 1995 tot 2004 - waar ze uitstekende effecten bereikten in het optreden van IFOR/SFOR - later niet zijn ingezet in Irak en Afghanistan. De toenmalige commandanten te velde hebben dat als een operationeel gemis ervaren. In aanvragen vanuit het veld aan het Ministerie en in gesprekken met bezoekende autoriteiten en leden van de Vaste Kamercommissie voor Defensie, hebben zij de behoefte aangekaart om een beperkt aantal tanks in hun mix van wapensystemen voorhanden te hebben. Het ging hen erom dat zij voor specifieke situaties nu juist die combinatie van incasseringsvermogen, precisie vuurkracht en het snel "aan de vijand brengen" van deze kwaliteiten misten. Op andere momenten ging het hen erom de tank in te zetten als een vierentwintig uur inzetbaar krachtig observatiemiddel en soms heel eenvoudig om de imponerende uitstraling die zo'n tank heeft. Dat is relevant omdat in dat soort optreden het veelal gaat om het "gevecht om percepties". Opmerkelijk was dat al die commandanten nu juist infanteristen waren; zij weten het beste waarom zij die tank nodig hebben. Maar onder druk van de schijn van de "opbouwmissie" besloot het Ministerie anders. Er kwam dus geen inzet van tanks in wat in werkelijkheid een vechtmissie was en daarmee liepen onze militairen veel meer onnodig risico. Natuurlijk zijn er concrete gevallen waar het ontbreken van het wapensysteem tank tot schade en onnodige operationele risico's heeft geleid. Zo het geval Ar Rumaythah in Irak augustus 2004. Een patrouille van Nederlanders loopt in een hinderlaag in de stad. Eén van de militairen wordt zwaar gewond en dient snel te worden afgevoerd, hetgeen hen zelf niet lukt. Een ´´ snelle reactie eenheid ´´ die opgeroepen is om steun te verlenen, wordt vervolgens tot driemaal toe in de stad fors onder vuur genomen. Er is met de licht gepantserde voertuigen geen doorkomen aan. Indien de eenheid nu twee tanks ter versterking had kunnen inzetten, was die doorgang onmiddellijk geforceerd. Apache helicopters waren pas na twee uur ter plaatse. Een ander voorbeeld komt voort uit de missie ISAF/Afghanistan. In het kader van de gevechten rond Chora in juni 2007 wordt een lichte infanterie-eenheid naar de zuidrand van de Baluchivallei gezonden om aldaar de tegenstanders vast te pinnen en te voorkomen dat zij meer gevechtskracht rond Chora konden ontplooien. Die eenheid wordt vervolgens zwaar aangevallen door de tegenstander. Mortieren en raketten worden tegen deze ongepantserde infanterie-eenheid ingezet. Met meer geluk dan wijsheid wordt zonder dodelijke slachtoffers teruggetrokken, waardoor de opdracht niet kan worden uitgevoerd. Spreekwoordelijke voorbeelden waar de commandant feitelijk behoefte had aan beter incasseringsvermogen en vuurkracht. Tanks die dit kunnen leveren waren echter niet toegevoegd aan de strijdmacht, de zogenaamde "gereedschapskist". Zo zijn er meer voorbeelden waarin commandanten te velde, met name van het wapen der infanterie, concludeerden dat zij de tank misten. In alle voorliggende scenario's binnen het landoptreden mag de optie om tanks in te zetten eenvoudig niet tot de onmogelijkheden behoren. Het is een dure plicht om onze jonge militairen een zo groot mogelijke overlevingskans te bieden.

Als internationaal benchmark zien we dat door - qua budget en samenstelling van hun Krijgsmacht - soortgelijke landen als Nederland, tanks recent met goed resultaat ontplooid en ingezet zijn. Het Verenigd Koninkrijk in Irak. Canada en Denemarken in Afghanistan. Australië in Oost-Timor. Er is slechts één land in Europa dat afscheid heeft genomen van haar tankbestand. Dat land kan dan ook geen invulling geven aan "shared burden, shared risk". Een voorbeeld dat Nederland niet zou moeten volgen. Een substantieel aantal van de zogenaamde aandachts gebieden waar Nederland zich beleidsmatig met prioriteit op richt in het kader van een mogelijke inzet teneinde stabiliteit en recht te ondersteunen beschikt over tanks danwel kan rekenen op steun van tanks uit buurlanden.

Veel van de commandanten te velde, met wie wij onderhavige materie uitputtend besproken hebben, delen het hier beschreven gedachtegoed volledig. Het zijn de commandanten die in de afgelopen jaren succesvol de missies ten uitvoer hebben gebracht en ook in de komende jaren een eventuele inzet zullen commanderen.

Tot slot dienen we ons te realiseren dat er opties zijn die enerzijds de gewenste besparingen opleveren en anderzijds ruimte laten om de gevechtstank in het bestand te houden. Zo zouden bijvoorbeeld de huidige twee tankbataljons kunnen worden gereorganiseerd onder gelijktijdige indeling van de tanks bij overblijvende manoeuvrebataljons. Bovendien kan enorm bespaard worden door de gehele logistieke ondersteuning samen met onze Duitse buren te organiseren. Ook zij hebben een verkleind bestand aan tanks en wat is nu meer voor de hand liggend om dan de aankoop van munitie en reservedelen in overleg bij hen uit te besteden. Dat scheelt Nederland vervolgens veel "waterhoofd-staffuncties". En dat is precies wat het Ministerie bij aanvang van deze bezuinigingsoperatie vóór had. Immers, het wilde de kortingen vinden bij de grote staven ( de bureacratie) en niet bij de operationele slagkracht ( de tanden). Zo´n samenwerking met Duitsland heeft meer voordelen. Nederland houdt dan de souvereine beslissingsmacht om haar eigen militaire capaciteiten in te zetten terwijl die samenwerking in logistieke functies al weer een stap meer in de richting van een europese defensiemacht is.

Bij eerdere bezuinigingen zijn er beslissingen genomen die heden ten dage diep betreurd worden. Het besluit om het wapensysteem tank uit onze organisatie te snijden zal tot een zelfde conclusie leiden. Het uitfaseren van de tank leidt snel tot het geheel verdwijnen van de unieke expertise op het gebied van samenwerking, training en inzet van zo´n wapensysteem in samenhang met overige capaciteiten van militair optreden. Deze beslissing leidt dus tot onomkeerbare consequenties. Daardoor wordt de dag van Hillen nog zwaarder, het wordt gewoon ondragelijk.


Scribenten:

Jhr. J.H. de Jonge; Generaal-majoor der Cavalerie b.d.

Veelzijdige internationale operationele ervaring:
Chief Land Operations United Peace Forces Voormalig Yougoslavië in 1995
NATO Force Commander Task Force Fox Macedonië in 2002
Brigade Commandant verantwoordelijk voor de gereedgestelde bataljons voor Irak en Bosnië in 2004
Deputy Commander Regional Command South ISAF, Kandahar in 2008
Deputy en Acting Commander 1 German/Netherlands Corps in 2009-2010

J.L. Vermeulen; Brigade-generaal der Infanterie b.d.

Voorzitter Nederlandse Officieren Vereniging.

Door het juiste te doen, vreest gij niemand.
U doet pas juist als u regelmatig deze site bezoekt.